Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
14/1426 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen vergoeding kosten bezwaar. Pas in hoger beroep bewijsmiddel ingeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1426 WWB

Datum uitspraak: 17 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 januari 2014, 13/4833 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.R.R. Oevering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Oevering. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Appellant heeft een stuk ingezonden waarop het college op 11 augustus 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) heeft genomen.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 23 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Oevering. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 10 november 2009 tot 7 april 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 28 april 2011 heeft appellant zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Bij besluit van 9 mei 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de gezamenlijke huishouding die hij voert. Hierdoor heeft appellant niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 28 maart 2013 heeft appellant zich opnieuw gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Op 2 april 2013 heeft appellant de daartoe strekkende aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant aangekruist dat hij inwonend is bij zijn nicht. Bij besluit van 5 april 2013 (besluit 1) heeft het college de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen, omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die voor het college aanleiding hadden moeten zijn van zijn eerdere besluit van 9 mei 2011 terug te komen.

1.4.

Op 2 mei 2013 heeft appellant zich wederom gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. Op 13 mei 2013 heeft appellant de daartoe strekkende aanvraag ingediend. Bij besluit van 16 mei 2013 (besluit 2) heeft het college aan appellant met ingang van 2 mei 2013 een daklozenuitkering toegekend.

1.5.

Bij besluit van 24 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Bij het hangende het hoger beroep genomen nader besluit heeft het college het bestreden besluit herzien wat betreft besluit 1, het bezwaar van appellant tegen besluit 1 alsnog gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant over de periode van 28 maart 2013 tot en met 1 mei 2013 alsnog bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een gemeentelijke toeslag van 10%. Het college heeft geen aanleiding gezien de kosten die appellant in verband met de behandeling van zijn bezwaar tegen besluit 1 heeft moeten maken, te vergoeden. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de noodzaak om hoger beroep in te stellen te wijten was aan de handelswijze van appellant door pas tijdens het hoger beroep de gewenste en benodigde informatie te verschaffen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De Raad zal het nader besluit op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb mede in de beoordeling betrekken.

5.2.

Met het onder 4 genoemde besluit is het college teruggekomen van het bestreden besluit voor zover dat ziet op besluit 1. Reeds hierom slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond is verklaard.

5.3.

Zoals ter zitting besproken, beperkt het geschil in hoger beroep zich thans nog enkel tot de vraag of appellant aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten van het bezwaar, welke vergoeding door het college is geweigerd, en vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep.

5.4.

Niet in geschil is dat het college met het onder 4 genoemde besluit volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant tegen besluit 1. Uit artikel 7:15, tweede lid, van de Awb volgt dat, in een geval als hier aan de orde, voor inwilliging van een verzoek om een vergoeding van de kosten van het bezwaar slechts plaats is voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Van die situatie is in dit geval geen sprake. Het college heeft terecht op basis van de door appellant bij zijn aanvraag verstrekte informatie over zijn woonsituatie bij het nemen van besluit 1 aangenomen dat appellant, net als ten tijde van het besluit van 9 mei 2011, nog steeds een gezamenlijke huishouding voerde met zijn nicht. Niet in geschil is dat appellant eerst met het in hoger beroep ingediende stuk heeft aangetoond dat zijn nicht op 6 maart 2013 was opgenomen in een verpleegtehuis en dat geen sprake (meer) was van een gezamenlijke huishouding. Op grond van die informatie heeft het college bij het nader besluit aanleiding gezien besluit 1 te herroepen. Appellant heeft niet bestreden dat hij het stuk dat hij in hoger beroep heeft overgelegd, op een eerder moment in de procedure had kunnen inbrengen. Hieruit volgt dat het college de vergoeding van de kosten van het bezwaar op goede gronden heeft geweigerd.

5.5.

Uit 5.4 volgt dat ook de noodzaak om beroep en hoger beroep in te stellen niet te wijten was aan het college, maar aan de handelswijze van appellant door pas tijdens het hoger beroep de volledige gewenste en benodigde informatie te verschaffen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat daarom evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 juli 2013 voor zover daarbij

het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2013 ongegrond is verklaard;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD