Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1905

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
14/4627 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen naar norm voor gehuwde. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Voldaan aan voorwaarden. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Wederzijdse zorg. Periode 1) Voldoende feitelijke grondslag. Periode 2) Wordt niet gehandhaafd door Svb. Schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over het na te betalen ouderdomspensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/4627 AOW

Datum uitspraak: 17 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

16 juli 2014, 13/4733 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld en daarbij een verzoek om vergoeding van schade ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Namens appellant is verschenen mr. A.R.A.R. Sitaldin, kantoorgenoot van mr. Dayala. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 1 oktober 2011 ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2.

Appellant stond ten tijde van zijn aanvraag om ouderdomspensioen ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen, BRP) op het adres [Adres A] te [plaatsnaam]. Bij zijn aanvraag heeft appellant als correspondentieadres [correspondentieadres] te [plaatsnaam 2] opgegeven. De hoofdbewoner van dit adres is mevrouw [naam M]. Op 20 juni 2012 is appellant uit de GBA uitgeschreven.

1.3.

Bij besluit van 12 september 2012 heeft de Svb appellant medegedeeld dat appellant voorlopig geen pensioen meer krijgt omdat de Svb niet weet waar hij woont. Appellant heeft naar aanleiding van dat opschortingsbesluit aan de Svb gemeld dat hij het jaar ervoor een beroerte heeft gehad en dat hij sindsdien bij M in [plaatsnaam 2] verblijft.

1.4.

De Svb heeft naar aanleiding hiervan een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben de handhavingsmedewerkers van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Svb (handhavingsmedewerkers) onder meer dossieronderzoek verricht en op 18 juni 2013 een huisbezoek afgelegd op het adres van M. Appellant was aanwezig en heeft tijdens dit huisbezoek een verklaring afgelegd en een formulier gezamenlijke huishouding (checklist) ingevuld. De bevindingen van het onderzoek heeft een van de handhavingsmedewerkers neergelegd in een rapport van 18 juni 2013.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluit van 5 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2013 (bestreden besluit), het ouderdomspensioen met ingang van 1 oktober 2011 te herzien naar een ouderdomspensioen voor een gehuwde. De besluitvorming berust op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met M.

1.6.

Bij besluit van eveneens 5 juli 2013 heeft de Svb het over de periode van 1 oktober 2011 tot en met juni 2013 onverschuldigd aan appellant verstrekte ouderdomspensioen van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 7.200,73.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert - kort gezegd - aan dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde met M.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2011 tot en met 5 juli 2013.

4.2.

Het besluit tot herziening van het ouderdomspensioen van appellant is een voor hem belastend besluit, zodat het aan de Svb is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening in de te beoordelen periode is voldaan in beginsel op de Svb rust.

4.3.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.4.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van M. Gelet hierop is aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW, voldaan.

4.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7.

De Svb heeft haar conclusie dat sprake is van wederzijdse zorg gebaseerd op de verklaringen van appellant tijdens het huisbezoek en tijdens de hoorzitting in bezwaar. Appellant heeft tijdens het huisbezoek op 18 juni 2013 tegenover de handhavingsmedwerkers verklaard dat M hem na zijn herseninfarct heeft verzorgd. Als appellant naar het ziekenhuis moet, dan rijdt M met hem mee om hem bij te staan. Appellant heeft een eigen kamer en hij maakt gebruik van de hele woning. Appellant en M gebruiken de maaltijd niet samen. Appellant betaalt M geen vaste bijdrage. Hij betaalt als het nodig is en schat dit op ongeveer

€ 150,- per maand. De huishoudelijke klussen worden zowel door appellant als door M gedaan, maar ieder voor zichzelf. In bezwaar heeft appellant verklaard dat hij voorheen alles voor M deed en zij ook voor hem. Zij stopte zijn was in de wasmachine. Ze hielpen elkaar dus. Er was wel sprake van zorg over en weer, omdat hij een auto heeft en zij slecht ter been is. Deze zorgrelatie is veranderd door de komst van de nieuwe vriend van M.

4.8.

De door appellant ingevulde checklist, de in 4.7 weergegeven verklaringen en de volgende, ter zitting van de Raad gegeven toelichting, bieden voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat er tot aan de breuk in de relatie met M in juli 2013 sprake was van wederzijdse zorg. Ter zitting is namens appellant verklaard dat hij en M mondeling waren overeengekomen dat appellant een huur van € 300,- per maand aan M zou betalen. Appellant kon meestal maar een bedrag van € 150,- betalen en de rest betaalde hij in werkzaamheden. Gelet daarop, alsmede gelet op het gebruik dat appellant kon maken van de gehele woning en de door M verleende zorg, was geen sprake van een zakelijke relatie. M heeft appellant onderdak geboden en hem verzorgd nadat hij uit het ziekenhuis kwam. Zij heeft hem begeleid bij zijn bezoeken aan het ziekenhuis en de was voor hem gedaan. Niet gebleken is dat de zorg in dit geval volstrekt eenzijdig is geweest. Appellant heeft M zoveel mogelijk geholpen en haar met zijn auto vervoerd. Tijdens de hoorzitting heeft appellant benadrukt dat hij en M, tot aan de breuk in de relatie met M, alles voor elkaar deden en elkaar hielpen. Gelet hierop was er niet alleen sprake van zorg van M voor appellant, maar ook van appellant voor M. Daarbij is van belang dat voor het aannemen van wederzijdse zorg niet noodzakelijk is dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.9.

Uit 4.5 en 4.8 volgt dat het bestreden besluit voor de periode van 1 oktober 2011 tot en met juni 2013 op een voldoende feitelijke grondslag berust. Gelet op wat ter zitting is besproken, is niet meer in geschil dat het bestreden besluit voor de periode vanaf 1 juli 2013 niet langer kan worden gehandhaafd. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover dat ziet op herziening van het ouderdomspensioen over de periode vanaf 1 juli 2013, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Svb heeft ter zitting verklaard dat appellant vanaf 1 juli 2013 wederom recht heeft op een ouderdomspensioen voor een ongehuwde. De Raad zal daarom het herzieningsbesluit van 5 juli 2013, voor zover dat ziet op herziening van het ouderdomspensioen van een ongehuwde naar een ouderdomspensioen voor een gehuwde vanaf 1 juli 2013, herroepen.

4.10.

Het verzoek van appellant om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over het na te betalen ouderdomspensioen dient te worden toegewezen. Voor de wijze waarop de wettelijke rente wordt berekend, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 oktober 2013 voor zover het

daarbij de herziening van het ouderdomspensioen vanaf 1 juli 2013 betreft;

- herroept het herzieningsbesluit van 5 juli 2013 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 22 oktober 2013;

- veroordeelt de Svb tot vergoeding aan appellante van de wettelijke rente zoals onder 4.9 van

deze uitspraak is vermeld;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) M.S. Spek

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

HD