Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1886

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
25-05-2016
Zaaknummer
14/3246 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opvang door het COa is een aan maatschappelijke opvang voorliggende voorziening in de zin van artikel 2 van de Wmo. Het college was daarom vanaf 18 juli 2013 niet meer gehouden appellante toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Gedurende de periode van 31 mei 2013 tot 18 juli 2013 was het college daartoe echter in afwachting van de uitslag van de gelijktijdig bij het COa aanhangig gemaakte procedure wel gehouden, gelet op de precaire medische situatie van appellante. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door in bezwaar te bepalen dat appellante in de periode van 31 mei 2013 tot 18 juli 2013 recht heeft op maatschappelijke opvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3246 WMO, 14/5003 WMO

Datum uitspraak: 4 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van

30 april 2014, 13/5829, en 25 juli 2014, 13/5135 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2016. Namens appellante is verschenen mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. Cerezo-Weijsenfeld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Bijveld.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren [in] 1974 en afkomstig uit Oeganda, is in april 2009 Nederland binnengekomen. Zij is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel heeft zij gedurende de periode in dit geding van belang geen aanspraak op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen.

1.2.

Op 7 mei 2013 heeft appellante een aanvraag om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingediend bij het college (aanvraag 1). Daarbij heeft zij een brief van psychiater D. Keles van 27 februari 2013 overgelegd.

1.3.

Op 14 juni 2013 heeft appellante opnieuw een aanvraag om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo ingediend bij het college (aanvraag 2).

1.4.

Met betrekking tot aanvraag 2 heeft het college zich bij besluit van 25 september 2013 (bestreden besluit 1) na bezwaar op het standpunt gesteld dat appellante geen recht heeft op maatschappelijk opvang, omdat appellante gedurende de van belang zijnde periode feitelijk niet dakloos is geweest en sinds 18 juli 2013 opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) ontvangt.

1.5.

Met betrekking tot aanvraag 1 heeft het college zich bij besluit van 19 november 2013 (bestreden besluit 2) na bezwaar, waarbij appellante een brief van psychiater Keles van

27 mei 2013 heeft overgelegd, eveneens op het standpunt gesteld dat appellante geen recht op opvang heeft, omdat zij gedurende de van belang zijnde periode feitelijk niet dakloos is geweest en sinds 18 juli 2013 opvang van het COa ontvangt.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting is namens appellante toegelicht dat zij uitsluitend tegen de aangevallen uitspraken in hoger beroep komt voor zover daarbij is geoordeeld dat zij geen recht heeft op maatschappelijke opvang en voor zover daarbij geen oordeel is gegeven over de grond van appellante dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Ter zitting is verder namens appellante naar voren gebracht dat geen verzoek om schadevergoeding wordt gedaan. Eventuele schade zal daarom in een afzonderlijke procedure aan de orde kunnen komen.

4.2.

De verzoeken om toelating tot de maatschappelijke opvang van appellante dateren van vóór 24 februari 2014, zodat, onder verwijzing naar de uitspraken van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444, en 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3834, ter beoordeling van de aanspraken van appellante nog het recht van toepassing is, zoals dat gold voor de uitspraken van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995, en 26 november 2015. Op grond van dat recht behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het bijzonder recht op bescherming van hun privé- en gezinsleven hebben onder meer de vreemdeling bij wie naar objectief medische maatstaf wordt vastgesteld dat zijn fysieke en psychische gezondheid substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van opvang.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1884) loopt bij aanvragen als hier aan de orde de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum van de aanvraag tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In dit geval betekent dit dat de beoordelingsperiode loopt van 7 mei 2013 tot en met 19 november 2013.

4.4.

Appellante behoorde gedurende de beoordelingsperiode tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Uit de medische stukken komt overtuigend naar voren dat de fysieke en psychische gezondheid van appellante substantieel wordt bedreigd wanneer zij verstoken blijft van opvang. Uit de brief van psychiater Keles van 27 mei 2013 blijkt dat appellante lijdt aan een depressieve stoornis en een complexe posttraumatische stressstoornis (PTSS). Keles heeft daarbij vermeld dat het noodzakelijk is dat zij in het kader van haar behandeling beschikt over een vast dak boven haar hoofd en een eigen kamer. Indien appellante niet over een passende opvangplek kan beschikken, brengt dit haar gezondheid ernstig in gevaar en wordt niet uitgesloten dat zij besluit om uit het leven te stappen. Appellante verbleef gedurende de periode in dit geding van belang vanaf 31 mei 2013 wisselend bij vrienden en kennissen, waarbij steeds onduidelijk was hoeveel langer zij daar kon blijven. Het ontbreken van een structureel dak boven het hoofd en de daaruit volgende onzekerheid over een verblijfsplaats moet op grond van de brief van Keles in het geval van appellante worden aangemerkt als levensbedreigend. Onder deze zeer uitzonderlijke omstandigheden kan niet in redelijkheid worden volgehouden dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toelating en de particuliere belangen van appellante om wel toegelaten te worden. Het college had appellante daarom vanaf

31 mei 2013 moeten toelaten tot de maatschappelijke opvang. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, moeten worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering. Met het oog op definitieve geschilbeslechting overweegt de Raad als volgt.

4.5.

Vanaf 18 juli 2013 werd appellante opgevangen door het COa. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 19 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0956) is opvang door het COa een aan maatschappelijke opvang voorliggende voorziening in de zin van artikel 2 van de Wmo. Het college was daarom vanaf 18 juli 2013 niet meer gehouden appellante toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Gedurende de periode van 31 mei 2013 tot 18 juli 2013 was het college daartoe echter in afwachting van de uitslag van de gelijktijdig bij het COa aanhangig gemaakte procedure wel gehouden, gelet op de precaire medische situatie van appellante.

4.6.

Gelet op het voorgaande zal de Raad zelf in de zaak voorzien door in bezwaar te bepalen dat appellante in de periode van 31 mei 2013 tot 18 juli 2013 recht heeft op maatschappelijke opvang.

4.7.

De grond van appellante dat het college in bezwaar ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting slaagt. Een bezwaar is kennelijk ongegrond wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener van het bezwaarschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Zoals blijkt uit het hiervoor overwogene, was daarvan geen sprake. Nu de bestreden besluiten voor vernietiging in aanmerking komen en appellante in beroep en in hoger beroep is gehoord volstaat de Raad met de constatering dat het college de bezwaren van appellante tegen de bestreden besluiten ten onrechte heeft aangemerkt als kennelijk ongegrond.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd voor zover aangevochten.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden, nu de zaken in hoger beroep als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden beschouwd, begroot op € 992,- in bezwaar, € 1.488,- in beroep en € 992,- in hoger beroep, in totaal € 3.472,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten;

  • -

    verklaart de beroepen tegen de besluiten van 25 september 2013 en 19 november 2013 gegrond en vernietigt die besluiten;

  • -

    bepaalt dat appellante in de periode van 31 mei 2013 tot 18 juli 2013 recht heeft op maatschappelijke opvang en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 25 september 2013 en 19 november 2013;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 3.472,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 332,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) R.G. van den Berg

MO