Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1870

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
14-3774 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rekening houdend met de omschrijving van het werk heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 8 december 2015 op inzichtelijke en navolgbare wijze geconcludeerd dat appellant weliswaar een versleten rug heeft, maar dat er geen medische redenen zijn om te veronderstellen dat appellant het uitvoeren van de omschreven werkzaamheden niet aan zou kunnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0565

Uitspraak

14/3774 ZW

Datum uitspraak: 18 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

27 mei 2014, 13/7407 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Faber-Speksnijder hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Faber. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

Het onderzoek ter zitting is geschorst. Het Uwv heeft op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als timmerman voor 40 uur per week toen hij zich in juni 1989 met rugklachten ziek meldde. Na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die sinds 2007 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant is gere-integreerd bij zijn werkgever in de functie van bouwvakhulp voor 40 uur per week. Dit dienstverband is op 1 december 2009 beëindigd. In verband met een beklemming van de zenuw op het niveau L3 heeft appellant op 1 april 2010 een operatie ondergaan. Per 19 juli 2010 heeft een verzekeringsarts appellant hersteld verklaard en is de betaling van ziekengeld gestopt.

1.2.

Appellant heeft zich per 20 februari 2013 ziek gemeld wegens longklachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Een sociaal medisch verpleegkundige heeft appellant op 15 april 2013 op het spreekuur gezien en hem per 22 april 2013 hersteld verklaard. Na bezwaar van appellant tegen het besluit van het Uwv om hem met ingang van 22 april 2013 het recht op ziekengeld te ontzeggen, is appellant op

29 mei 2013 gezien door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant sinds hij is gestopt met roken geen longklachten meer heeft, maar dat de rugklachten hem ongeschikt maken voor zijn werk als bouwvakhulp. Het bezwaar van appellant tegen de beëindiging van het ziekengeld is gegrond verklaard.

1.3.

Appellant heeft op 22 augustus 2013 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 23 augustus 2013 geschikt geacht voor zijn werk als bouwvakhulp. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 augustus 2013 vastgesteld dat appellant per 23 augustus 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 14 oktober 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 oktober 2013 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht. Zo zijn alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling en is niet gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant hebben gemist. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de door appellant overgelegde informatie geen objectieve medische gegevens bevat waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen rekening mee heeft gehouden, zodat deze informatie geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zijn standpunt dat appellant op de datum in geding niet arbeidsongeschikt is voor zijn arbeid, voldoende heeft gemotiveerd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft geconcludeerd dat de objectieve bevindingen geen aanleiding geven het eerder ingenomen standpunt niet te handhaven. Ten onrechte heeft de rechtbank nagelaten de belasting in de maatgevende arbeid aan de orde te stellen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De behandeling ter zitting is geschorst in verband met discussie over de zwaarte van het werk als bouwvakhulp. Verder bestond bij de Raad onduidelijkheid over het antwoord op de vraag of orthopedisch chirurg P.P. Horsting in december 2013 de uitslag van de MRI, die kort daarvoor was gemaakt, wel volledig had weergegeven en meegewogen. In hoger beroep was namelijk ook een brief van de radiologen M.I. Wessels en M. Obradov van 10 december 2013 ingezonden, waarin de uitslag van de MRI meer uitgebreid is weergegeven. Dat zou mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de beoordeling van de (on)geschiktheid van appellant voor zijn functie als bouwvakhulp.

4.3.

Het Uwv heeft op verzoek van de Raad een brief van arbeidsdeskundige M.M. Arts van 10 december 2009 ingezonden, waarin de arbeidsdeskundige de inhoud van een met appellant gevoerd telefoongesprek heeft weergegeven. Onderdeel van deze brief is een, door appellant zelf gegeven, omschrijving van de hoofdtaken van zijn werk zoals hij dat tot medio maart 2009 heeft verricht. Deze omschrijving is duidelijk en kan als basis dienen voor de maatstaf arbeid. Er wordt geen noodzaak gezien tot het laten verrichten van nader onderzoek.

4.4.

In zijn rapport van 8 december 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in voldoende mate inzichtelijk gemaakt dat de weergave van de uitslag van de MRI uiteengezet door Horsting niet afwijkt van de uitslag van de MRI zoals uiteengezet door de radiologen Wessels en Obradov. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daaraan toegevoegd dat niet zozeer de geconstateerde afwijkingen bij het beeldvormend onderzoek bepalend zijn voor de mate van beperkingen. Naast de ervaren klachten spelen de bij lichamelijk onderzoek geconstateerde afwijkingen en functionele belemmeringen een belangrijke rol bij het opstellen van de beperkingen. Beeldvormend onderzoek kan slechts een aanwijzing geven voor de oorzaak van de ervaren klachten.

4.5.

Rekening houdend met de omschrijving van het werk zoals weergegeven in de brief van Arts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 8 december 2015 op inzichtelijke en navolgbare wijze geconcludeerd dat appellant weliswaar een versleten rug heeft, maar dat er geen medische redenen zijn om te veronderstellen dat appellant het uitvoeren van de omschreven werkzaamheden niet aan zou kunnen.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant met ingang van 23 augustus 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2015.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) P. Boer

MO