Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2016
Datum publicatie
25-01-2016
Zaaknummer
14/3338 WWB e.v.
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Geheel tegemoetgekomen bij nader besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3338 WWB, 14/4149 WWB

Datum uitspraak: 19 januari 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

8 mei 2014, 13/1152 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Bij tussenuitspraak van 26 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1607 (tussenuitspraak) heeft de Raad in het geding tussen partijen, appellant opgedragen om zich nader te beraden of aan betrokkene voor de gevraagde kosten bijzondere bijstand kan worden verleend en, zo ja, of die bijstand, geheel of gedeeltelijk, in de vorm van een lening of om niet wordt verstrekt.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft appellant op 2 juli 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar (nadere beslissing) genomen.

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn zienswijze over de nadere beslissing naar voren te brengen.

De Raad heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 8:108 van die wet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 26 mei 2015 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat appellant opnieuw diende te beoordelen of betrokkene al dan niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van woninginrichting of dat hij voor deze kosten een lening had kunnen verkrijgen nu de Raad heeft geoordeeld dat voor analoge toepassing van het territorialiteitsbeginsel geen ruimte bestaat.

1.2.

Met de rechtbank heeft de Raad in de tussenuitspraak dan ook overwogen dat appellant zich nader diende te beraden of aan betrokkene voor de betreffende kosten bijzondere bijstand kan worden verleend en, zo ja, of die bijstand, geheel of gedeeltelijk, in de vorm van een lening of om niet wordt verstrekt.

1.3.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft appellant de nadere beslissing genomen. Daarbij heeft appellant bijzondere bijstand om niet aan betrokkene toegekend voor de volledige stoffering en inrichting van een woning voor een gezin van twee volwassenen en vier kinderen.

1.4.

Gelet op de inhoud van de nadere beslissing en de omstandigheid dat betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zijn zienswijze in te dienen, wordt het ervoor gehouden dat appellant met de nadere beslissing aan de bezwaren van betrokkene geheel is tegemoetgekomen.

1.5.

Uit het voorgaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene terecht gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 28 mei 2013 terecht vernietigd. Het hoger beroep treft dan ook geen doel zodat de aangevallen uitspraak voor het overige moet worden bevestigd.

2. Niet gebleken is dat betrokkene in hoger beroep proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij appellant is opgedragen een nieuwe

beslissing op bezwaar te nemen;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 493,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van

R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

19 januari 2016.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) R.B.E. van Nimwegen

HD