Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1859

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
15/2862 BABW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder. College mocht het bestreden besluit niet baseren op de medische adviezen van de GGD naar aanleiding van twee eerdere aanvragen. Omdat aanvraag ziet op nieuwe periode na het indienen van de derde aanvraag. Aangewezen dat college nader (medisch) onderzoek (laat) verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2862 BABW-T

Datum uitspraak: 11 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

20 maart 2015, 14/3588 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vaals (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft op het verweerschrift gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Nadaud. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.P.A. Croughs, H.J.M. Meyers en M.J.A.M.M. Corsius (arts bij GGD Zuid Limburg).

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 12 maart 2013 en op 27 november 2013 aanvragen ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder. Het college heeft die aanvragen afgewezen in besluiten van 5 juni 2013 respectievelijk 28 januari 2014. Aan die besluiten ligt ten grondslag dat volgens het college appellante meer dan 100 meter lopend kan afleggen. Appellante heeft tegen die besluiten geen bezwaar gemaakt.

1.2.

Appellante heeft op 21 mei 2014 opnieuw een aanvraag bij het college ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder. Het college heeft daarop in een besluit van

4 juni 2014 de aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard in een besluit van 21 oktober 2014 (bestreden besluit). Appellante heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college het bestreden besluit heeft mogen baseren op de medische adviezen van de GGD. Uit die adviezen heeft het college de conclusie kunnen trekken dat appellante niet zodanig beperkt is dat zij niet in redelijkheid in staat is om – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – zelfstandig een afstand van 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen. Een door appellante ingebrachte brief van haar behandelend orthopeed

dr. J. Krug (hierna: Krug) beschouwt de rechtbank niet als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Het college heeft twee eerdere aanvragen van appellante afgewezen. Die besluiten staan in rechte vast, omdat appellante daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De hierop volgende derde aanvraag van appellante van 21 mei 2014 strekt er niet toe dat het college terugkomt van de besluiten van 5 juni 2013 en 28 januari 2014, maar ziet op een nieuwe periode na het indienen van de derde aanvraag. In een dergelijke situatie is geen sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, omdat de voor de beoordeling van de latere aanvraag relevante feiten en omstandigheden naar hun aard gewijzigd kunnen zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3950).

4.2.

De rechtbank heeft dat niet onderkend. Daarom komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit. Bezien kan worden of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, omdat het college ondanks de toepassing van artikel 4:6 van de Awb in het bestreden besluit een inhoudelijk standpunt heeft ingenomen. De Raad zal beoordelen of het inhoudelijke standpunt van het college stand kan houden.

4.3.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

4.4.

Deze regeling is de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling). Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling kunnen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.

4.5.

In artikel 2, eerste lid, van de Regeling is bepaald dat een gehandicaptenparkeerkaart niet wordt afgegeven voordat een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager. Artikel 3, eerste lid, van de Regeling bepaalt dat het geneeskundig onderzoek, ingeval de gehandicaptenparkeerkaart wordt afgegeven door het gemeentelijk gezag, bedoeld in artikel 49 van het BABW, wordt verricht door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst dan wel – bij externe advisering – door een vanwege het gemeentelijk gezag aangewezen deskundige.

4.6.

Artikel 3:9 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

4.7.

Tussen partijen is in geschil of appellante in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen.

4.8.

De meest vergaande beroepsgrond van appellante is dat, op grond van de door haar ingebrachte medische informatie, de conclusie moet worden getrokken dat zij niet in staat is 100 meter te lopen. Zij heeft daartoe verwezen naar een aangepaste verklaring van

25 juli 2013 van haar behandelend orthopeed Krug (nader uitgelegd in verklaringen van Krug van 11 mei 2015 en 25 juni 2015) en een verklaring van 18 april 2014 van dr. M. Tingart

(hierna: Tingart). Volgens appellante heeft het college deze verklaringen verkeerd uitgelegd.

4.9.

Het college heeft daar tegenover gesteld dat Krug al eerder een verklaring heeft opgesteld met dezelfde datum. Het bevreemdt het college dat Krug in de nadere verklaring dezelfde bevindingen vermeldt, maar een andere conclusie trekt. De medisch adviseurs van de GGD hebben in het rapport van 24 januari 2014 en tijdens de zitting over de verklaringen van Krug gesteld dat de hierin beschreven aandoeningen van appellante geen ernstige afwijkingen aan de rug en knieën laten zien. De conclusie van Krug dat appellante beperkt is in het lopen tot 100 meter, strookt dus niet met de beschreven afwijkingen. Ook uit eigen onderzoek concludeert de medisch adviseur dat appellante een redelijk normaal looppatroon heeft. In zijn advies heeft de medisch adviseur ook informatie van de behandelend cardioloog betrokken. Verder leidt de medisch adviseur gezien zijn rapport van 15 september 2014 uit de brief van Tingart af dat appellante met goed resultaat is geopereerd aan haar linkerschouder. Volgens de medisch adviseur heeft de schouderaandoening van appellante echter geen directe invloed op haar loopvermogen.

4.10.

Weliswaar mag een medisch adviseur gezien zijn deskundigheid in beginsel varen op zijn eigen oordeel, dat onder meer gevormd is door bevindingen uit eigen onderzoek en de in het dossier aanwezige medische informatie, maar dit laat onverlet dat in een individueel geval de zorgvuldigheid kan vereisen dat raadpleging van de behandelend sector toch is aangewezen. De Raad is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. De medisch adviseur is van oordeel dat de conclusie van Krug niet strookt met de door hem gestelde diagnose. Deze conclusie luidt in de aangepaste verklaring van Krug dat appellantes vermogen om te lopen ook met loophulpmiddelen beperkt is tot korte afstanden van minder dan 100 meter en dat dit gepaard gaat met aanzienlijke pijn. In zijn verklaring van

11 mei 2015 schrijft Krug dat de diagnoses uit 2013 nog steeds bestaan, met dien verstande dat in het gebied van de schouder na een operatie een verslechtering is opgetreden. Krug herhaalt dat appellante de afstand van 100 meter niet haalt, ook niet met hulpmiddelen, vanwege haar schouderklachten. In zijn brief van 25 juni 2015 licht Krug toe dat dit laatste ook al gold in 2013. De medisch adviseur zet vraagtekens bij deze verklaringen van Krug, gelet op de door Krug gestelde diagnoses. Het had daarom op de weg van de medisch adviseur gelegen om Krug hierop nader te bevragen.

4.11.

Gelet op het vorenstaande, mocht het college het bestreden besluit niet baseren op de medische adviezen van de GGD.

4.12.

De Raad ziet met het oog op de definitieve beslechting van het geschil aanleiding om het college op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het college dient hiervoor een nader (medisch) onderzoek te (laten) verrichten. Dit onderzoek zal moeten voldoen aan de in 4.10 omschreven zorgvuldigheidseisen. Dit betekent dat, nadat daartoe toestemming van appellante is verkregen, Krug schriftelijk geraadpleegd moet worden over zijn conclusie dat appellante – ook met hulpmiddelen – niet in staat is 100 meter te lopen in de periode vanaf de derde aanvraag.

4.13.

Op basis van de verkregen concrete en verifieerbare informatie zal het college vervolgens opnieuw moeten bezien of de aanvraag van appellante om toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder voor inwilliging in aanmerking komt. De Raad stelt de termijn waarbinnen het vastgestelde gebrek aan het bestreden besluit door het college moet worden hersteld vast op zes weken na de datum waarop deze tussenuitspraak is gedaan.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 21 oktober 2014 te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en J.P.A. Boersma en N. Docter als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) I.G.A.H. Toma

MO