Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1857

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
13/1475 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep geen aanknopingspunten dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht of dat appellante op datum in geding medisch meer beperkt is dan is aangenomen. De in hoger beroep overgelegde stukken werpen geen ander licht op haar medische situatie op de datum in geding. Voorgehouden functies passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0560
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1475 WAO

Datum uitspraak: 13 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

5 februari 2013, 12/1995 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, een psychiatrische expertise van

19 augustus 2015 en een verzekeringsgeneeskundige expertise van 3 november 2015 alsmede een toelichting van een gecertificeerd arbeidsdeskundige overgelegd. Het Uwv heeft op deze stukken gereageerd met rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Yeniasci. Tevens was aanwezig A. Kabaktepe, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als kok. Zij is op 8 april 1999 uitgevallen voor deze werkzaamheden wegens rug- en gewrichtsklachten en spanningsklachten. Aan appellante is met ingang van 6 april 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Nadien hebben diverse medische herbeoordelingen plaatsgevonden. In mei 2002 heeft de verzekeringsarts gerapporteerd dat appellante onder behandeling is van psychiater

S. Gulsaçan vanwege haar psychische klachten waarvoor medicatie is voorgeschreven. Hoewel appellante in medisch opzicht belastbaar werd geacht, werd zij, op arbeidskundige gronden, ongewijzigd volledig arbeidsongeschikt geacht. In 2005 heeft appellante een heupoperatie ondergaan. Bij een herbeoordeling in 2007 kwam uit het rapport van 27 maart 2007 van de verzekeringsarts naar voren dat appellante nog onder behandeling was bij psychiater Gulsaçan. Op basis van het dagverhaal, waarbij geen sprake is van disfunctioneren op de drie niveaus, heeft de verzekeringsarts een belastbaarheidspatroon opgesteld met forse beperkingen in verband met de psychische klachten, als ook beperkingen in verband met de heupklachten. Met deze beperkingen heeft de arbeidsdeskundige geen functies kunnen selecteren, waardoor appellante onveranderd volledig arbeidsongeschikt werd geacht.

1.3.

Vervolgens heeft in mei 2011 verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft appellante lichamelijk en psychisch onderzocht op het spreekuur van 11 mei 2011. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante tot 2010 bij psychiater Gulsaçan onder behandeling is geweest. Na ontvangst van informatie van de huisarts en de behandelend orthopedisch chirurg heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellante beperkt is door klachten van de linkerheup en rug. Het huidig psychisch beeld is volgens de verzekeringsarts verbeterd en gestabiliseerd met onderhoudsmedicatie en er zijn geen verschijnselen meer die wijzen op een ernstige psychopathologie. De beperkingen van appellante zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante in staat moet worden geacht de door hem geselecteerde functies te verrichten en het verlies aan verdiencapaciteit van appellante berekend op minder dan 15%. Het Uwv heeft bij besluit van 5 oktober 2011 de

WAO-uitkering van appellante per 6 december 2011 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

1.4.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 oktober 2011 omdat zij zich als gevolg van haar lichamelijke en psychische klachten volledig arbeidsongeschikt acht. Zij is vergeetachtig, heeft concentratieproblemen, is vermoeid en heeft angst om alleen over straat te gaan en om alleen thuis te zijn. Wat betreft de heupklachten is appellante beperkt in het staan, lopen, zitten en knielen. Zij loopt met een kruk.

1.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, nadat hij appellante op de hoorzitting heeft gesproken en aanvullend medisch onderzoek heeft verricht, geconcludeerd dat aanvullende beperkingen dienen te worden aangenomen in rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden. Op basis van de aldus aangepaste FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de door de arbeidsdeskundige in de primaire fase voor appellante geselecteerde functies beoordeeld. Daarbij zijn drie van de vier geselecteerde functies komen te vervallen, waardoor er onvoldoende functies resteren om de schatting op te baseren. Na opnieuw raadpleging van het CBBS heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep drie functies geselecteerd die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen en het opleidingsniveau van appellante, waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid beneden 15% blijft. Bij besluit van 24 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard wegens het vervallen van de door de aanvankelijk arbeidskundige geselecteerde functies. Appellante wordt per 6 december 2011 onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. In verband met de aanzegging van de nieuw geselecteerde functies heeft het Uwv besloten om in overeenstemming met de medische en arbeidskundige rapporten, met ingang van 4 juni 2012 de WAO-uitkering in te trekken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is geweest omdat appellante gezien is en aanvullend medisch is onderzocht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarna de FML is aangevuld met beperkingen ten aanzien van de mentale weerstand. Appellante heeft niet met objectief medische gegevens onderbouwd dat zij meer beperkt is. Gelet hierop alsmede op de eigen onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen bestond er geen reden om een aanvullend psychiatrisch onderzoek te laten verrichten. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding gezien om te twijfelen aan de arbeidskundige grondslag, nu de geselecteerde functies zowel qua belasting als qua opleidingsniveau binnen de belastbaarheid van appellante vallen.

3.1.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag berust en onvoldoende gemotiveerd is omdat de verzekeringsarts geen specialistisch onderzoek heeft laten plaatsvinden. Appellante acht zich meer en verdergaand beperkt als gevolg van haar psychische klachten. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft zij verwezen naar een psychiatrische expertise van 19 augustus 2015 en een verzekeringsgeneeskundige expertise van 3 november 2015. Appellante heeft voorts onder verwijzing naar een toelichting van juni 2015 van een gecertificeerd arbeidsdeskundige gesteld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet geschikt voor haar zijn qua belasting, het opleidingsniveau en de in de functies vereiste diploma-eisen van enkele jaren LBO/VBO/ VMBO. Voorts beschikt appellante niet over het concentratieniveau dat bij het verrichten van de functies noodzakelijk is.

3.2.

Het Uwv heeft, onder overlegging van rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten gevonden dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht, noch dat appellante op de datum in geding, 4 juni 2012, medisch meer beperkt is dan is aangenomen. Voor de daartoe strekkende stellingen van appellante is geen steun te vinden in de zich in het dossier bevindende medische informatie. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben appellante ten tijde van de datum in geding gezien en gesproken en uitvoerig medisch onderzoek verricht. Bij het vaststellen van de beperkingen is informatie van de behandelend sector, huisarts en orthopedisch chirurg betrokken. Appellante was toen niet meer onder behandeling van een psychiater. In dat licht bezien hoefden de verzekeringsartsen geen nader psychiatrisch advies te vragen. Op basis van de eigen onderzoeksbevindingen en rekening houdend met de informatie van de behandelend sector zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van de psychische en lichamelijk klachten.

4.2.

De door appellante in hoger beroep overgelegde psychiatrische expertise en het verzekeringsgeneeskundige rapport werpen geen ander licht op haar medische situatie op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van

15 december 2015 overtuigend gemotiveerd waarom aan de door appellante overgelegde rapporten niet die waarde moet worden toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien. Dit rapport wordt geheel onderschreven. Voor wat betreft de lichamelijke klachten heeft appellante geen informatie overgelegd. Hieruit volgt dat geen twijfel bestaat aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde en in de FML neergelegde beperkingen.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals vastgelegd in de FML van 16 april 2012 is er geen reden om aan te nemen dat de aan appellante voorgehouden functies haar belastbaarheid overschrijden en niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft in diverse rapporten voldoende inzichtelijk te kennen gegeven dat de functies qua belasting, opleidingsniveau en opleidingseisen passend zijn voor appellante. Gewezen wordt op de rapporten van 20 april en 21 mei 2012 en van 24 maart 2016, overgelegd in hoger beroep.

4.4.

Uit de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellante bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en P. Vrolijk en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2016.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) R.I. Troelstra

UM