Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1850

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
15-4957 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:4874, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat appellant de bevoegdheid toekomt een nadere invulling te geven aan het begrip “boven de norm”. De beoordelingssystematiek van het voormalige korps kende geen eindoordeel. Ook was er sprake van verschillende functies met een uiteenlopend aantal te beoordelen competenties, waarop het loopbaanbeleid moest worden toegepast. Er is daarom gekozen voor een rekenkundig criterium - ten minste 80% uitstekend - om een eenduidig eindoordeel voor alle gevallen te verkrijgen. Met deze keuze om het begrip “boven de norm” zo in te vullen dat alleen diegenen met het beoordelingsresultaat 80% uitstekend voor bevordering naar senior GGP in aanmerking kwamen, is appellant gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Het feit dat de functievervulling van betrokkene net niet voor 80% van de competenties als uitstekend is gewaardeerd, maakt dit niet anders. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4957 AW

Datum uitspraak: 19 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 juli 2015, 14/4595 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K. Kromhout een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 15/4955 AW, 15/4956 AW,

15/4959 AW en 15/6258 AW, plaatsgevonden op 7 april 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. M.J.M. Suijs en N. Snoep. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Kromhout. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is als [naam functie A] aangesteld bij de voormalige politieregio

[politieregio], thans de eenheid [eenheid], laatstelijk in de functie van generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP).

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de Minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn vastgelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie, tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782; circulaire).

1.3.

Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’. In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroom van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

1.4.

De leiding van de voormalige politieregio [politieregio] heeft het criterium van een beoordeling “boven de norm” uitgelegd als 80% uitstekend (score 4). Daarbij is aansluiting gezocht bij het beleid ten aanzien van het bevorderen bij excellerend presteren. Een medewerker kon op basis van dit beleid eerder bevorderd worden indien zijn functioneren als uitmuntend en voortreffelijk te kwalificeren was. In het Regionaal Management Team van het voormalige korps [politieregio] is het criterium van 80% uitstekend na overleg met de ondernemingsraad vastgesteld. Er is voor een percentage gekozen, omdat meerdere functies met een verschillend aantal competenties op grond van het loopbaanbeleid HAP II voor bevordering in aanmerking kwamen.
1.5. Betrokkene heeft verzocht om doorstroming naar de functie van senior GGP, schaal 8. Naar aanleiding van dit verzoek is over de periode tot en met 31 december 2012 een beoordeling opgesteld, die op 4 november 2013 is vastgesteld met als conclusie dat betrokkene in staat is om senior taken te gaan uitvoeren. Hij heeft relevante werkervaring als generalist GGP, vakmanschap boven de norm en de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP. In de beoordeling zijn acht competenties gewaardeerd, waarbij betrokkene op twee van de acht competenties “voldoende” (3) scoort en op zes competenties “uitstekend” (4). Blijkens het beoordelingsformulier zijn er vier mogelijke scores: 1=onvoldoende, 2=matig, 3=voldoende en 4=uitstekend.

1.6.

Bij besluit van 10 december 2013 heeft appellant afwijzend beslist op het verzoek om doorstroming. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de beoordeling niet voldoet aan de norm van 80% uitstekend.

1.7.

Bij besluit van 5 juni 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 10 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 10 december 2013 herroepen en appellant opgedragen betrokkene te bevorderen naar de functie van Senior GGP met ingang van de datum waarop hij aan alle voorwaarden voldeed (maar niet eerder dan 1 november 2010). De rechtbank is van oordeel dat appellant de grenzen van zijn beoordelingsruimte heeft overschreden met het standpunt dat onder het vereiste van een beoordeling “boven de norm” moet worden verstaan een beoordeling waarbij het geheel van de functievervulling voor 80% met “uitstekend” (4) gewaardeerd is. “Boven de norm” impliceert een gematigder invulling dan “excellerend presteren”. Nu niet in geschil is dat de norm “voldoende” (3) is, kan een beoordeling met een eindscore hoger dan voldoende niet in redelijkheid anders worden aangemerkt dan als een beoordeling “boven de norm”. Bij het ontbreken van een eindscore is van een beoordeling “boven de norm” naar het oordeel van de rechtbank in beginsel sprake als op alle competenties in ieder geval een 3 wordt gescoord en als op meer dan de helft van de competenties hoger dan een 3 wordt gescoord.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank een onjuist oordeel heeft gegeven over de invulling die appellant heeft gegeven aan een beoordeling “boven de norm”.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Onder verwijzing naar de uitspraken van 30 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2551 en ECLI:NL:CRVB:2015:2552) is de Raad van oordeel dat appellant de bevoegdheid toekomt een nadere invulling te geven aan het begrip “boven de norm”.

4.2.

De beoordelingssystematiek van het voormalige korps [politieregio] kende geen eindoordeel. Ook was er sprake van verschillende functies met een uiteenlopend aantal te beoordelen competenties, waarop het loopbaanbeleid moest worden toegepast. Er is daarom gekozen voor een rekenkundig criterium - ten minste 80% uitstekend - om een eenduidig eindoordeel voor alle gevallen te verkrijgen. Met deze keuze om het begrip “boven de norm” zo in te vullen dat alleen diegenen met het beoordelingsresultaat 80% uitstekend (4) voor bevordering naar senior GGP in aanmerking kwamen, is appellant gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Het feit dat de functievervulling van betrokkene net niet voor 80% van de competenties als uitstekend is gewaardeerd, maakt dit niet anders. Het hoger beroep slaagt.
4.3. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juni 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.H. Bangma en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.W. Munneke

HD