Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
15-4412 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verzwegen vermogen. Ten onrechte beroep op ongerechtvaardigd onderscheid. Geen sprake van inschakelen extern bureau voor onderzoek. Meerwaarde taxatierapport Svb. Recht niet vast te stellen in plaats van geen recht.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 34
Wet werk en bijstand 53a
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/1142
USZ 2016/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4412 WWB

Datum uitspraak: 17 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2015, 14/10985 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en, desgevraagd, een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2016, gevoegd met de zaak 14/6113 WWB. Namens appellanten is verschenen mr. Küçükünal. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens en mr. P. Stahl-de Bruin. In de zaak 14/6113 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 7 april 2003 bijstand, aanvankelijk op grond van de Algemene bijstandswet en vanaf 1 januari 2004 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ter aanvulling op een onvolledig ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Vanaf 1 juli 2006 heeft de Svb de bijstandsverlening overgenomen van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag en voortgezet in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

De dochter van appellanten heeft op 28 juni 2013 telefonisch aan de Svb doorgegeven dat appellanten van 1 juli 2013 tot 1 oktober 2013 naar Turkije gaan en, gevraagd naar de verblijfplaats van appellanten in dat land, te kennen gegeven dat zij daar een eigen woning hebben. Naar aanleiding daarvan heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar (de waarde van) het vermogen van appellanten in Turkije. In dat verband heeft de Svb appellanten in de eerste plaats bij brief van 1 juli 2013 verzocht een recent taxatierapport van hun woning in Turkije over te leggen. In reactie op deze brief heeft de dochter van appellanten op 25 juli 2013 de Svb telefonisch medegedeeld dat appellanten geen woning in Turkije hebben en dat de Svb haar verkeerd heeft begrepen.

1.3.

Ten behoeve van een in Turkije te verrichten vermogensonderzoek heeft de Svb vervolgens bij besluit van 8 augustus 2013, onder opschorting van het recht op

AIO-aanvulling van appellanten met ingang van 1 augustus 2013, appellanten in de gelegenheid gesteld om kopieën van hun Turkse paspoorten over te leggen waarop het zogenoemde T.C. Kimlik nummer zichtbaar is. Bij besluit van 8 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 maart 2014, heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellanten met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 augustus 2013 beëindigd (lees: ingetrokken), op de grond dat appellanten niet binnen de gegeven hersteltermijn hebben gereageerd op het verzoek de gevraagde kopieën van hun paspoorten te verstrekken. Bij uitspraak van 26 augustus 2014 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 maart 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, nr. 14/6113 WWB, heeft de Raad, onder vernietiging van die uitspraak van de rechtbank, het besluit van 5 maart 2014 vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. De Raad heeft daartoe, kort weergegeven en voor zover van belang, het volgende overwogen. De Svb heeft niet in redelijkheid kunnen beslissen tot intrekking van de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB. Aangezien wel voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 54, derde lid, van de WWB, was de Svb gehouden de bijstand in te trekken met ingang van 1 augustus 2013.

1.4.

Op 18 oktober 2013 hebben appellanten alsnog kopieën van hun paspoorten verstrekt waarop het T.C. Kimlik nummer zichtbaar is. De Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Attaché) heeft vervolgens in opdracht van de Svb een onderzoek ingesteld naar onroerend goed van appellanten in Turkije. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage vermogensonderzoek Turkije van 13 januari 2014. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat appellante een belastingaangifte heeft ingediend bij de afdeling onroerende zaakbelasting van de deelgemeente [deelgemeente] voor een appartement dat zij sinds 1999 bezit en voorts dat een lokale makelaar dit appartement op 7 januari 2014 heeft getaxeerd op € 24.000,-.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluiten van 6 mei 2014 en 1 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 november 2014 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten met ingang van 7 april 2003 in te trekken en de kosten van bijstand en AIO-aanvulling over de periodes van 7 april 2003 tot en met

30 juni 2006 en 1 juli 2006 tot en met 31 juli 2013 van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van in totaal € 17.708,13. Aan deze besluitvorming heeft de Svb, onder verwijzing naar de resultaten van het onderzoek in Turkije, ten grondslag gelegd dat appellanten, zonder daarvan melding te hebben gemaakt aan het college en/of de Svb, vanaf 7 april 2003 beschikken over vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens en dus vanaf die datum geen recht op bijstand hebben.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Svb heeft de bijstand zonder beperking in tijdsduur ingetrokken met ingang van

7 april 2003. Aangezien de Svb de AIO-uitkering al eerder met ingang van 1 augustus 2013 had ingetrokken, loopt in dit geval de te beoordelen periode van 7 april 2003 tot en met 31 juli 2013.

4.2.

Appellanten hebben als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2578, dat de Svb appellanten op basis van etniciteit heeft geselecteerd voor het verrichten van een onderzoek naar onroerend goed in Turkije. Dit levert een verboden onderscheid op. Om die reden moeten de onderzoeksresultaten als onrechtmatig bewijs buiten beschouwing worden gelaten.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De door appellanten genoemde uitspraak, die is bevestigd bij de uitspraak van de Raad van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1228, betrof een pilot betreffende het verrichten van onderzoek naar eventueel vermogen in Marokko. Ter uitvoering daarvan had de gemeente Rotterdam een selectie gemaakt van werkzoekenden die aan bepaalde selectiecriteria voldeden, met als resultaat dat onder meer de betrokkenen in het door appellanten aangehaalde geval aan een vermogensonderzoek werden onderworpen, zonder dat daarvoor een directe aanleiding bestond. Anders dan in dat geval, zijn appellanten niet in het kader van een pilot onderworpen aan een vermogensonderzoek, maar heeft de Svb een dergelijk onderzoek in gang gezet naar aanleiding van de in 1.2 genoemde telefonische mededeling van de dochter van appellanten op 28 juni 2013. Van een verboden onderscheid is dus geen sprake.

4.4.

Appellanten hebben verder nog aangevoerd dat de wijze waarop het vermogensonderzoek in Turkije is verricht strijd oplevert met het in artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op privacy. In dit verband hebben appellanten erop gewezen dat de Svb de T.C. Kimlik nummers van appellanten heeft gebruikt voor het onderzoek in Turkije. Aangezien deze nummers gelijk zijn aan de Nederlandse burgerservice nummers

(BSN-nummers), is daarop de Wet algemene bepalingen persoonsgegevens (Wet) van toepassing. Ingevolge de Wet kunnen overheidsorganen in het kader van de uitoefening van hun taak gebruikmaken van BSN-nummers. Niet-overheidsorganen mogen ook gebruikmaken van deze nummers, voor zover dat bij of krachtens de Wet is voorgeschreven. De Svb verricht niet zelf met het T.C. Kimlik nummer onderzoek in Turkije, maar schakelt daarvoor een extern bedrijf in. Dit is in strijd met artikel 8, tweede lid, van het EVRM en dus onrechtmatig aangezien hiervoor een wettelijke regeling ontbreekt.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet, reeds omdat van het inschakelen van een extern bedrijf voor het verrichten van het onderzoek naar (de waarde van) vermogen van appellanten in Turkije geen sprake is. De Svb heeft in zijn verweerschrift uiteengezet, onder verwijzing naar een Besluit van de Minister van Sociale Zaken en werkgelegenheid, nr. IZ/M/2003/32221, dat aan diverse vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland medewerkers van de Svb verbonden zijn die onder meer onderzoeken uitvoeren die nodig zijn voor de wetten die de Svb uitvoert, dat in Turkije aan de Nederlandse ambassade de Attaché en een bureau voor Sociale Zaken is verbonden en dat zowel de Attaché als de medewerkers van dat bureau in dienst zijn van de Svb. Ter zitting hebben de vertegenwoordigers van de Svb verklaard dat dit laatste ook van toepassing is op de zogeheten buitendienstmedewerkers. Hiermee heeft de Svb voldoende toegelicht en onderbouwd dat degenen die in Turkije het onderzoek hebben verricht naar eventueel vermogen van appellanten in dat land, in dienst zijn van de Svb en hun onderzoekswerkzaamheden dus hebben verricht in het kader van de vervulling van een publieke taak.

4.6.

Vaststaat dat appellante gedurende de te beoordelen periode eigenaar was van een appartement in Turkije en dat appellanten, door daarvan in die periode geen melding te maken, de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden.

4.7.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.8.

Appellanten hebben een taxatierapport ingebracht, waarin de waarde van het getaxeerde appartement van appellante op 14 september 2015 is vastgesteld op TL 30.000, omgerekend ongeveer € 8.700,-. Voor zover appellanten hiermee hebben willen betogen dat de waarde van hun appartement gedurende de te beoordelen periode minder bedraagt dan de waarde die een lokale makelaar in opdracht van de Svb op 7 januari 2014 heeft getaxeerd op € 24.000,- en dat zij in die periode dus recht op bijstand en AIO-aanvulling hadden, slaagt dit betoog niet. Anders dan in het door appellanten ingebrachte taxatierapport, is in het in opdracht van de Svb opgemaakte taxatierapport wel uitdrukkelijk vermeld welke waardebepalende factoren een rol hebben gespeeld bij de vaststelling van de taxatiewaarde. Reeds om die reden is het door appellanten ingebrachte taxatierapport, waarin op geen enkele wijze inzichtelijk is gemaakt waarom de waarde is vastgesteld op een bedrag van, omgerekend, € 8.700,-, onvoldoende om de juistheid van de uitkomst van de taxatie, die in opdracht van de Svb is uitgevoerd, in twijfel te trekken.

4.9.

Ter zitting van de Raad hebben de vertegenwoordigers van de Svb erkend dat de op

7 januari 2014 getaxeerde waarde van € 24.000,- niets zegt over de waarde van het appartement van appellante op 7 april 2003 en over de waardeontwikkeling die sindsdien heeft plaatsgevonden. Nu ook het door appellanten ingebrachte taxatierapport hierover geen uitsluitsel geeft en appellanten ook overigens geen objectieve en verifieerbare gegevens hebben ingebracht over de waarde van het appartement gedurende de te beoordelen periode, kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand en

AIO-aanvulling in die periode niet worden vastgesteld.

4.10.

Gelet op 4.9 zijn de Svb en in navolging daarvan de rechtbank ten onrechte tot de conclusie gekomen dat appellanten wegens vermogensoverschrijding geen recht hadden op bijstand en AIO-aanvulling. Dit doet er echter niet aan af dat uit 4.8 volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de WWB, zoals dit artikellid luidt sinds 1 juli 2013. Dit betekent dat de Svb gehouden was de bijstand van appellanten met toepassing van deze bepaling in te trekken met ingang van 7 april 2003. Tegen de terugvordering hebben appellanten geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.11.

Uit 4.3 en 4.5 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd, gelet op 4.9 en 4.10 met verbetering van gronden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en W.F. Claessens en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) J.L. Meijer

HD