Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
20-05-2016
Zaaknummer
14-3260 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenningen op grond van de Wuv. Niet is aannemelijk geworden dat appellant ondergedoken is geweest om aan vervolging te ontkomen. Weigering van de bevoegdheid gebruik te maken van gelijkstelling van een vervolgde op de grond dat er geen aanwijzingen zijn dat de vader van appellant ten gevolge van vervolging om het leven is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3260 WUV

Datum uitspraak: 19 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Verenigde Staten (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 mei 2014, kenmerk BZ01680009 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Daar is namens appellant verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is geboren in 1939 in het toenmalig Nederlands-Indië. In januari 2013 heeft hij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wuv.

1.2.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 29 augustus 2013 en de afwijzing na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. In dat verband heeft verweerder overwogen dat appellant geen vervolging heeft ondergaan, omdat niet is aangetoond dat hij ondergedoken is geweest om aan vervolging in de zin van de Wuv te ontkomen. Verder heeft verweerder geen aanleiding gezien te onderzoeken of appellant met de vervolgde kan worden gelijkgesteld omdat de vader van appellant niet ten gevolge van vervolging is omgekomen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

Vervolging

2.1.

Op grond van de voorhanden zijnde stukken is niet aannemelijk geworden dat appellant ondergedoken is geweest om aan vervolging te ontkomen. Uit met name de aanwezige gegevens van de moeder van appellant en haar zuster blijkt ook niet dat er vrees bestond voor internering. Zij bleven binnenshuis uit angst door de Japanners te worden belaagd. De vriend van de tante van appellant is bij hen gaan inwonen en heeft op alle mogelijke manieren de Japanners buiten weten te houden. Er zijn geen aanwijzingen dat het binnen blijven heeft plaatsgevonden vanwege kans op vervolging. De verhuizing van Dinojo naar de kleinere woning in Gedongsari was het gevolg van het niet meer kunnen betalen van de huur. Van vervolgingsaspecten was ook hier geen sprake. Daarnaast is niet gebleken dat in het geval van appellant sprake is geweest van het stelselmatig onttrekken aan het openbare leven. Zo heeft hij verklaard dat hij tijdens de Japanse bezetting vaak het graf van zijn vader bezocht. Al met al kan de door appellant geschetste situatie niet worden aangemerkt als onderduik in de zin van de Wuv.

Gelijkstelling

2.2.

Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv kan verweerder met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van deze wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Tot dergelijke omstandigheden rekent verweerder onder meer het door de vervolging omkomen van een ouder.

2.3.

In het geval van appellant heeft verweerder geweigerd van deze bevoegdheid gebruik te maken op de grond dat er geen aanwijzingen zijn dat de vader van appellant ten gevolge van vervolging om het leven is gekomen.

2.4.

De Raad kan dit standpunt onderschrijven. De vader van appellant is bij het uitoefenen van zijn taken als commandant van een eenheid van de Stadswacht op 5 maart 1942 om het leven gekomen tijdens een vuurgevecht met Japanse militairen. Uit de beschikbare gegevens, waaronder informatie van het NIOD, komt naar voren dat de Stadswachten deel uit maakten van het Koninklijke Nederlands-Indische Leger (KNIL). Zij werden ook op militaire wijze opgeleid en gekleed. Dit leidt tot de conclusie dat de Stadswachten, als onderdeel van het KNIL, militairen waren. De vader van appellant is dus overleden in het kader van krijgsverrichtingen en niet ten gevolge van vervolging in de zin van de Wuv. Voor de ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de vader van appellant is ontwapend, krijgsgevangen is gemaakt en vervolgens is doodgeschoten zijn in de voorhanden zijnde gegevens geen aanwijzingen gevonden.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

3.1.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3.2.

In dit geval is sprake van een procedure in twee instanties, te weten bezwaar gevolgd door beroep in eerste en enige aanleg. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van

9 april 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179), is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee en een half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee en een half jaar geduurd, dan moet per instantie worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. In het algemeen acht de Raad een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden

(uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

3.3.

Sinds de ontvangst van het bezwaar door verweerder op 21 oktober 2013 tot aan deze uitspraak zijn twee jaar en (bijna) zeven maanden verstreken. De redelijke termijn is daarmee overschreden met (bijna) een maand. Die overschrijding is een gevolg van de overschrijding van de toegestane behandelingsduur in de bezwaarfase. Er is in dit geval geen aanleiding af te wijken van de onder 3.1 vermelde uitgangspunten. Aan appellant komt dus een schadevergoeding toe van € 500,-.

3.4.

De Raad zal verweerder veroordelen tot vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van € 500,- wegens schending van de redelijke termijn.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een

bedrag € 500,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD