Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
15/5512 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Kasstorting over periode van bijstand. Herkomst niet aannemelijk gemaakt. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5512 WWB

Datum uitspraak: 17 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
1 juli 2015, 14/4279 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Vleugel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Vleugel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.D. Klasen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben zich, voor zover van belang, op 23 december 2013 gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden. In het kader van deze aanvraag hebben appellanten onder meer bankafschriften van de bankrekening van appellant overgelegd over de periode van 1 september 2013 tot en met

30 december 2013. Uit die bankafschriften blijken diverse kasstortingen tot een bedrag van in totaal € 3.875,-.

1.2.

Het college heeft appellanten gevraagd de kasstortingen met bewijsstukken toe te lichten. Appellanten hebben daarop een ongedateerde schriftelijke verklaring van de moeder van appellant overgelegd, waarin zij verklaart appellanten geld te hebben gestuurd om rekeningen te betalen. Tevens heeft appellante verklaard dat zij en appellant geld vragen van de zussen van appellant om rekeningen te betalen of kleding te kopen voor hun kinderen. In bezwaar hebben appellanten een ongedateerde schriftelijke verklaring van een zus van appellant overgelegd, waarbij zij verklaart dat zij en haar zussen geld hebben geleend aan appellant om zijn rekeningen te betalen en dat hij dat geld moet terugbetalen.

1.3.

Bij besluit van 6 februari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juni 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat op de bankrekening van appellanten 21 kasstortingen hebben plaatsgevonden met een totaalbedrag van € 3.875,- en dat zij niet met objectieve en verifieerbare gegevens duidelijkheid hebben kunnen verschaffen over de herkomst van die stortingen en over de wijze waarop zij voorafgaand aan de aanvraag om bijstand in de kosten van levensonderhoud hebben kunnen voorzien. Volgens het college hebben appellanten de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 23 december 2013 (datum melding) tot en met

6 februari 2014 (datum afwijzend besluit).

4.2.

Bij het aanvragen van bijstand, zoals ook hier aan de orde omdat bijstand als gehuwden wordt aangevraagd, rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Indien de betrokkene niet aan deze wettelijke inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Vaststaat dat op de bankrekening van appellant in de periode van 1 september 2013 tot en met 30 december 2013 regelmatig kasstortingen zijn gedaan tot een totaalbedrag van

€ 3.875,-. Appellanten hebben met de overgelegde verklaringen geen concreet en verifieerbaar bewijs overgelegd waaruit blijkt dat familieleden daadwerkelijk het geld aan hen hebben verstrekt, zoals zij stellen. Ook uit de kasstortingen zelf is dat op geen enkele manier af te leiden. De herkomst van de diverse kasstortingen is daarmee onduidelijk gebleven. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:870) lag het onder die omstandigheden, anders dan aangevoerd, niet op de weg van het college om nader onderzoek te doen. Dat het, zoals appellanten ter zitting van de Raad hebben gesteld, in de Iraakse cultuur gebruikelijk is dat familieleden geld van elkaar lenen en dat meer schriftelijk bewijs niet te verkrijgen is, is een omstandigheid die voor risico en rekening van appellanten dient te blijven.

4.4.

Nu het gaat om substantiële bedragen en de financiële situatie van appellanten onduidelijk is gebleven, is de conclusie gerechtvaardigd dat het recht op bijstand van appellanten in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. De grond dat de gestorte bedragen als inkomen kunnen worden aangemerkt en dat daarmee het recht op bijstand wel is vast te stellen, kan dan ook geen doel treffen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2016.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) B. Fotchind

HD