Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1799

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
15/2185 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verzorgen van optredens. Op geld waardeerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2185 WWB, 15/3899 WWB, 15/4109 WWB

Datum uitspraak: 17 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 februari 2015, 14/4273 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] en de erven [Naam C], te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens [Appellante] (appellante) en [Naam C] ([C]) heeft mr. I. Epe, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 februari 2016 heeft mr. Epe de Raad meegedeeld dat [C] in de maand januari 2016 is overleden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Epe. Namens de erven [C] is verschenen mr. Epe. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T.A. van den Hoff.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante en [C] ontvingen sinds 18 januari 2011 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Het college heeft op enig moment een melding ontvangen, inhoudende dat [C]

- voor zover hier van belang - inkomsten uit de muziekbranche zou genieten. Het college is naar aanleiding van deze melding een onderzoek gestart naar het recht op bijstand van appellante en [C]. In dat kader hebben medewerkers van de Afdeling handhaving en dienstverlening bureau fraudebeheer van de gemeente [woonplaats] (medewerkers) onder andere onderzoek gedaan op het internet en op 11 juni 2014 een gesprek met appellante en [C] gevoerd.

1.3.

Tijdens het gesprek op 11 juni 2014 heeft [C] verklaard dat hij zingen als hobby heeft. Zo heeft [C] gezongen in café [naan cafe A] en in café [naam cafe B]. Hij wordt gevraagd om te zingen of als DJ op te treden. Hij regelt dan ook het geluid en boekt er een artiest bij. [C] heeft verder verklaard dat hij al dertig jaar zingt. Hij krijgt hier geen geld voor, maar hoeft zijn drankjes niet te betalen. Uit het onderzoek op internet is gebleken dat [C] ingeschreven staat bij [naam bedrijf]", een commercieel bedrijf waar tegen betaling artiesten ingehuurd kunnen worden.

1.4.

Bij besluit van 11 juni 2014 (besluit 1) heeft het college - voor zover hier van belang - de bijstand van appellante en [C] met ingang van 11 juni 2014 opgeschort en appellante en [C] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk voor 23 juni 2014 een overzicht in te leveren van de data, de locatie en de duur van de door [C] verzorgde optredens, alsmede van de vergoeding die daartegenover stond.

1.5.

Bij besluit van 14 juli 2014 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellante en [C] met ingang van 22 maart 2014 ingetrokken. Hieraan ligt - voor zover hier van belang - met betrekking tot de periode van 22 maart 2014 tot en met 10 juni 2014 ten grondslag dat appellante en [C] de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van door [C] verrichte, op geld waardeerbare, activiteiten. Als gevolg van die schending kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Met betrekking tot de intrekking vanaf 11 juli 2014 ligt aan besluit 2 ten grondslag dat appellante en [C] niet binnen de in besluit 1 geboden hersteltermijn alsnog het verzochte overzicht hebben verstrekt.

1.6.

Bij besluit van 15 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante en [C] tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de periode van 22 maart 2014 tot en met 10 juni 2014 betreft en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college per 11 juni 2014 in redelijkheid tot opschorting en intrekking van de bijstand kon overgaan, maar dat voor intrekking van de bijstand over de periode van 22 maart 2014 tot en met 10 juni 2014 geen plaats is, omdat het op grond van de verstrekte gegevens mogelijk is het recht op bijstand vast te stellen.

3. Appellante en (de erven) [C] hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover dit de intrekking van de bijstand per 11 juni 2014 betreft en voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat [C] op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Zij voeren daartoe kort gezegd aan dat de optredens die [C] heeft verzorgd geen op geld waardeerbare activiteiten zijn. Appellante en [C] mochten er bovendien gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij de optredens van [C] alleen hoefden te melden als [C] daarvoor een vergoeding kreeg. Dat was niet het geval.

4. Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nader besluit van 7 april 2015 (nader besluit) genomen. Bij dat besluit heeft het college - voor zover hier van belang - het recht op bijstand ingetrokken over de dagen 22 maart 2014 en 30 mei 2014. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [C] op 22 maart 2014 en 30 mei 2014 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, waarmee hij inkomsten heeft genoten tot een bedrag dat gelijk staat aan het recht op bijstand over die dagen. De Raad leest dit zo dat het college de bijstand over de maanden maart en mei 2014 heeft herzien, door de in die maanden door [C] genoten inkomsten op de bijstand in mindering te brengen. Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

[C] heeft op 22 maart 2014 voor "[naam bedrijf] tbv [naam event]" en op 30 mei 2014 in Café [naan cafe A] optredens verzorgd. Gelet op het verhandelde ter zitting hadden de optredens zoals hier aan de orde, ook kunnen worden geboekt via

[naam bedrijf]. Niet in geschil is dat als [C] zou zijn geboekt via [naam bedrijf], hij voor dergelijke optredens een vergoeding zou hebben ontvangen. Gelet hierop, alsmede gelet op de aard van de activiteiten, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten. Appellante en [C] hadden gelet daarop melding moeten maken van de optredens. De op geld waardeerbare activiteiten zijn immers van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Dit wordt niet anders voor zover appellanten aanvoeren dat zingen een hobby van [C] was. Of het om bedrijfsmatig verrichte, of bij wijze van hobby uitgeoefende activiteiten gaat, is voor de WWB geen relevant onderscheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3466). Dit is ook het geval voor zover appellanten stellen dat de optredens een therapeutisch karakter hadden.

5.2.

Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als het tot beslissen bevoegde orgaan of de daartoe bevoegde functionaris een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Dat een dergelijke toezegging is gedaan, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van appellanten dat appellante en [C] is meegedeeld dat zij de optredens alleen hoefden te melden als [C] daarvoor een vergoeding zou krijgen, is daarvoor onvoldoende.

5.3.

Uit 5.1 en 5.2 volgt dat de door appellanten in hoger beroep aangevoerde gronden niet slagen. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd, voor zover aangevallen. Het beroep tegen het nader besluit zal ongegrond worden verklaard.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het nader besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en J.M.H. van de Ven en

D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) R.G. van den Berg

HD