Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
19-05-2016
Zaaknummer
15-2152 WOJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevraagde beperking van de kennisneming is gerechtvaardigd. Het is in het belang van de jeugdige (de zoon van appellante) dat appellante (voorlopig) niet bekend is met de plaats van het werkelijk verblijf van de jeugdige. De Raad ziet daarin een voldoende gewichtige reden gelegen om het verzoek van het college tot beperkte kennisneming te honoreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2152 WOJ

Datum uitspraak: 18 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Beslissing inzake de toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college) als rechtsopvolger van Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland (bureau jeugdzorg)

INLEIDING

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2015, 14/8995 (aangevallen uitspraak).

Het hoger beroep heeft betrekking op het op grond van de Wet op de jeugdzorg genomen besluit van 18 april 2014 waarbij bureau jeugdzorg, voor zover hier van belang, de indicatie van de jeugdige, zijnde de zoon van appellante, voor verblijf in een pleeggezin met twee jaar heeft verlengd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 15 september 2014 (bestreden besluit) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van appellante tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet op de jeugdzorg ingetrokken en is de Jeugdwet in werking getreden (Stb. 2014, 105). Uit artikel 11.7, tweede lid, van de Jeugdwet volgt dat als sprake is van een besluit genomen door bureau jeugdzorg, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft in de plaats treedt van bureau jeugdzorg. Zie ook de uitspraak van de Raad van 6 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1305. De Raad heeft bij het ontbreken van informatie over de woonplaats van de jeugdige, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar appellante woonplaats heeft aangemerkt als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg.

Het college heeft in zijn verweerschrift van 2 juni 2015 aangevoerd dat hij ten onrechte als rechtsopvolger van bureau jeugdzorg is aangemerkt en daarmee ook ten onrechte als partij. Volgens het college is op grond van artikel 11.7, tweede lid, van de Jeugdwet de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, de rechtsopvolger van bureau jeugdzorg. Gelet op het in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerde begrip woonplaats en het feit dat uit de aangevallen uitspraak kan worden afgeleid dat de jeugdige onder voogdij staat, betekent dit dat de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige moet worden aangemerkt als woonplaats. Raadpleging van de basisregistratie levert over het verblijf en derhalve de woonplaats van de jeugdige geen informatie op. Het college heeft vervolgens contact gelegd met de (gecertificeerde instelling) Jeugdbescherming West en daarvan vernomen in welke gemeente de jeugdige verblijft. Het betreffende bericht heeft het college in een gesloten envelop bij het verweerschrift gevoegd met het verzoek dit (voorlopig) niet aan appellante bekend te maken. Dit verzoek houdt een verzoek tot beperkte kennisneming in als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.

Appellante heeft gereageerd op het door het college gedane verzoek tot de beperkte kennisneming. Zij stelt zich op het standpunt dat er bij het college een taak en verantwoordelijkheid rust omdat zij als ouder van de jeugdige in Amsterdam woonachtig is. Zij tracht al jaren, ook toen zij nog wel het gezag over de jeugdige had, te achterhalen waar de jeugdige feitelijk verblijft, maar slaagt daar niet in.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:29 van de Awb luidt als volgt:

“1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.

3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.”

2. Na kennis te hebben genomen van het in geding zijnde stuk, komt de Raad tot het oordeel dat het in het belang van de jeugdige is dat appellante (voorlopig) niet bekend is met de plaats van het werkelijk verblijf van de jeugdige. De Raad ziet daarin een voldoende gewichtige reden gelegen om het verzoek van het college tot beperkte kennisneming te honoreren.

3. Nu de Raad heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij ingevolge artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb slechts met toestemming van partijen mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. Deze toestemming zal thans worden gevraagd. Afhankelijk van het antwoord van partijen (in dit geval appellante) zal het dossier met dan wel zonder de onderhavige stukken aan de behandelende kamer van de Raad worden overgedragen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bepaalt dat de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.D.F. de Moor

MO