Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
15-2342 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen bijstand in periode voorafgaand aan melding. Verzoek om informatie is geen melding. Geen sprake van afhouden van tijdige aanvraag door college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2342 WWB

Datum uitspraak: 3 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 februari 2015, 14/3791 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Noordenkwartier (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.A.J. Schuiten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 januari 2010 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren. Met ingang van 1 januari 2012 heeft het college de inkomensvoorziening omgezet naar bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 29 augustus 2012 heeft het dagelijks bestuur de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB beëindigd omdat appellant uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Op 10 maart 2014 heeft appellant zich opnieuw gemeld voor het doen van een aanvraag ingevolge WWB.

1.3.

Bij besluit van 25 april 2014 heeft het dagelijks bestuur appellant met ingang van

10 maart 2014 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit voor zover het de ingangsdatum van de bijstandsverlening betreft.

1.4.

Bij besluit van 6 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 april 2014 ongegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het dagelijks bestuur appellant met ingang van een eerdere datum dan per 10 maart 2014 bijstand had moeten verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van de melding om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen dat er teveel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het dagelijks bestuur heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur hem reeds met ingang van

17 oktober 2012 bijstand had moeten verlenen. Uit het e‑mailbericht van 17 oktober 2012 van zijn moeder, gericht aan klantmanager [G.] (G), blijkt volgens appellant ondubbelzinnig dat sprake is van een melding om bijstand, nu zijn moeder aan de klantmanager kenbaar heeft gemaakt dat hij op dat moment werkloos was en aanvullende bijstand om die reden noodzakelijk was om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Gelet op het antwoord van G in haar e-mailbericht van 18 oktober 2012 dat appellant in verband met de onder 1.1 genoemde uitsluitingsgrond geen recht heeft op bijstand, kan worden opgemaakt dat G voornoemd e‑mailbericht van 17 oktober 2012 heeft aangemerkt als een aanvraag om bijstand. Verder heeft appellant verwezen naar het gesprek dat hij en zijn moeder op 28 maart 2013 hebben gevoerd met klantmanager R.J. Slotema. Ook tijdens dit gesprek is gesproken over de mogelijkheid hem met terugwerkende kracht bijstand te verlenen.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich eerder dan op 10 maart 2014 bij het dagelijks bestuur heeft gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand. In de voorhanden gegevens is daarvoor geen steun te vinden. Anders dan appellant heeft aangevoerd kan uit het e-mailbericht van 17 oktober 2012 niet worden afgeleid dat het hier een melding om bijstand betrof. De bericht kan slechts worden aangemerkt als een verzoek van zijn moeder om informatie te verstrekken over de mogelijkheden van appellant om bijstand te verkrijgen. Uit het gespreksverslag van 28 maart 2013 kan evenmin worden afgeleid dat appellant aan het dagelijks bestuur kenbaar heeft gemaakt dat hij een aanvraag om bijstand (met terugwerkende kracht) wenste in te dienen. Uit dit verslag blijkt dat het gesprek niet is gevoerd naar aanleiding van een door appellant gedane melding. Uit het verslag volgt veeleer dat het gesprek is gevoerd in het kader van een mogelijk verzoek om terug te komen van het onherroepelijk geworden besluit van 29 augustus 2012 waarbij de bijstand werd ingetrokken. Dit volgt uit de omstandigheid dat appellant in de gelegenheid is gesteld nadere stukken over te leggen waaruit blijkt dat hij niet in staat was een opleiding te volgen en hij mogelijk niet onder de onder 1.1 genoemde uitsluitingsgrond viel.

Een dergelijk verzoek is niet ingediend.

4.5.

Voorts is niet gebleken dat het dagelijks bestuur appellant heeft afgehouden van het doen van een tijdige aanvraag of dat appellant niet in staat was op een eerder moment een aanvraag in te dienen, zodat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het dagelijks bestuur appellant met ingang van een eerdere datum dan 10 maart 2014 bijstand had moeten verlenen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2016.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.L. Meijer

HD