Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
14-5280 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaatsing op de functie van Adviseur EB 11 bij Uitvoeringsbeleid. Er is geen grond voor het oordeel dat het advies van de SubPAC niet ten grondslag mocht worden gelegd aan de beslissing dat de functie van Adviseur EB 12 niet passend voor appellante was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5280 AW

Datum uitspraak: 12 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 augustus 2014, 12/3683 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Economische Zaken (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J.M. Waasdorp hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft de minister nadere stukken ingediend en daarop een toelichting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Waasdorp. De minister, opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.P. Tang, ir. E.J. van der Linden,

drs. ing. J.P.M. van Hienen RA en mr. M. Coumpri.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was aanvankelijk aangesteld bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de functie van Adviseur Planning & Control, schaal 12 (Adviseur

P&C 12). Vanaf 14 oktober 2010 is haar aanstelling voortgezet bij de Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, dat sinds november 2012 ministerie van Economische Zaken wordt genoemd.

1.2.

Bij ongedateerd besluit is de uitgangspositie van appellante ten behoeve van het komende dynamische veranderproces vastgesteld, de zogenoemde foto rechtspositie, die de rechtspositie van appellante per 1 januari 2010 weergaf. Haar formele functie is vastgesteld op Adviseur P&C 12. Bij het onderdeel ‘feitelijke functie’ zijn geen gegevens vermeld en er is ook geen zogenoemde fof (feitelijk opgedragen functie) bij het besluit gevoegd.

1.3.

Met ingang van 1 november 2010 is appellante in het kader van het werken naar een nieuwe Dienst Regelingen toegewezen aan de Tijdelijke Werkorganisatie Financiën & Control. Vanaf 15 februari 2011 volgde de toewijzing aan de Tijdelijke Werkorganisatie Uitvoeringsbeleid in de functie Adviseur Europees Betaalorgaan, schaal 12 (Adviseur EB 12). In verband met het Organisatiebesluit Reorganisatie 2011 van de Uitvoeringsorganisatie Dienst Regelingen en de daarin voorziene overtolligheid in de formele functie van appellante is haar formele functie in september 2011 aangewezen als fase 2 functie.

1.4.

In het kader van het plaatsingsproces is appellante aangewezen als functievolger voor de functie van Adviseur P&C 12. Zij heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar belangstelling kenbaar te maken voor een andere functie, te weten de functie van Adviseur EB 12 bij Uitvoeringsbeleid. De sub-plaatsingsadviescommissie (SubPAC) heeft appellante als niet passend voor die functie aangemerkt. De SubPAC achtte de functie Adviseur EU Betaalorgaan, schaal 11 (Adviseur EB 11) wel passend. Omdat appellante niet op deze functie geplaatst wilde worden, heeft de SucPAC geadviseerd tot plaatsing als Adviseur P&C 12.

1.5.

Na een voornemen tot plaatsing van appellante op de functie van Adviseur P&C 12 en daartegen door appellante ingebrachte bedenkingen is appellante de keuze gegeven tussen plaatsing als Adviseur P&C 12 of Adviseur EB 11. In overeenstemming met appellantes keuze is zij per 1 januari 2012 geplaatst op de functie van Adviseur EB 11 bij Uitvoeringsbeleid. Bij besluit van 10 juli 2012 heeft de minister, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen deze plaatsing ongegrond verklaard (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij geplaatst had moeten worden op de functie van Adviseur EB 12. De minister heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de door de minister overgelegde stukken en toelichting onderschrijft de Raad de opvatting van de minister dat, anders dan eerder was aangegeven, op de hier aan de orde zijnde reorganisatie van de Dienst Regelingen van toepassing zijn de Regeling reorganisaties LNV 2007 en de Leidraad reorganisaties LNV 2007. Voorts was een Plan van Aanpak Plaatsingsprocedure DR 2011 vastgesteld.

4.2.

Appellante is in de eerste plaats van opvatting dat zij ten onrechte als functievolger voor de functie van Adviseur P&O 12 is aangemerkt. Haar feitelijke werkzaamheden kwamen grotendeels overeen met de functie Adviseur EB 12 en dus was zij daarvoor functievolger. Uit onder meer de Leidraad reorganisaties LNV 2007 blijkt dat de medewerkers hun feitelijke werkzaamheden zullen volgen. Dat is bij haar ook gebeurd bij de toewijzing aan de Tijdelijke Werkorganisatie Uitvoeringsbeleid. Appellante is in deze zin meermalen door haar leidinggevende voorgelicht; zij zou met haar werk meegaan en dat werk is volgens appellante terecht gekomen in de functie van Adviseur EB 12.

4.2.1.

Blijkens de gedingstukken is appellantes uitgangspositie voor de reorganisatie vastgesteld bij de in 1.2 genoemde foto rechtspositie. Tegen dit besluit, dat voorzien was van een bezwaarclausule, heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Zoals de minister met juistheid heeft aangegeven, staat daarmee in rechte vast dat als uitgangspositie de formele functie van Adviseur P&C 12 gold en dat geen sprake was van afwijkende feitelijke werkzaamheden. Appellante kan dan ook niet gevolgd worden in haar opvatting dat de foto rechtspositie onvolledig is en dat er alsnog een fof moet worden opgemaakt en toegevoegd. Omdat in de foto rechtspositie ook een plaats is ingeruimd voor (afwijkende) feitelijk opgedragen werkzaamheden, vormde het ontbreken van de vermelding daarvan een relevant onderdeel van het besluit. Bij onvolledigheid van de foto rechtspositie in zoverre was het maken van bezwaar noodzakelijk om te voorkomen dat (alleen) de formele functie als uitgangspositie zou komen vast te staan. Dat appellante niet heeft onderkend dat door dit besluit haar (beweerdelijk) afwijkende werkzaamheden buiten beschouwing zouden blijven bij de plaatsing in de nieuwe definitieve organisatie, komt voor haar eigen risico.

4.2.2.

Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Ook in hoger beroep is niet gebleken van de volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6168 en TAR 2013/20) vereiste uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen over een functievolgerschap onderscheidenlijk plaatsing op basis van feitelijke werkzaamheden, waarbij zou worden afgeweken van appellantes formele functie van Adviseur P&C 12.

4.2.3.

De minister mocht dus op basis van de foto rechtspositie bepalen of appellante eventueel functievolger was. Nu appellante niet heeft betwist dat de oude en de nieuwe (formele) functie van Adviseur P&C 12 (nagenoeg) gelijke werkzaamheden bevatten, wordt de minister gevolgd in het standpunt dat appellante functievolger was voor de functie van Adviseur P&C 12. Het hoger beroep van appellante slaagt in zoverre dus niet.

4.3.1.

Appellante betwist verder dat de functie van Adviseur EB 12 niet passend is voor haar. Zij acht deze opvatting onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd en gebaseerd op subjectieve oordelen, nu hij is gebaseerd op een enkel gesprek met de SubPAC.

4.3.2.

Op grond van artikel 49h van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is maatgevend of de betrokkene beschikt over de kennis en kunde die noodzakelijk is om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen, dan wel of betrokkene binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden. Het advies van de SubPAC laat zien dat deze dezelfde maatstaf heeft gehanteerd.

4.3.3.

Gelet op de toelichting van de minister ter zitting zijn de leden van de verschillende plaatsingscommissies, waaronder de SubPAC, voorbereid voor hun werkzaamheden door training in het voeren van de gesprekken ten behoeve van het beoordelen van de kandidaten en het geven van adviezen over de plaatsing. Aan de SubPAC nam steeds een medewerker van de afdeling personeelszaken deel en er vond terugkoppeling en nabespreking plaats. Onder die omstandigheden ziet de Raad geen grond om de werkwijze van de SubPAC, waarbij zij op basis van één gesprek met de kandidaat tot een advies kwam, als een onaanvaardbare methode aan te merken. Voorts is niet gebleken dat er in het geval van appellante omstandigheden zijn aan te wijzen die maken dat dit in haar geval anders zou zijn. Gewezen wordt nog op het slot van het advies van de SubPAC, waarin staat dat de voorzitter met appellante nog een tweede gesprek heeft gevoerd om te onderzoeken of zij belangstelling had voor de functie van Adviseur EB 11, omdat de functie op schaal 12 niveau niet haalbaar werd geacht. De omstandigheden in het geval van appellante zijn daarmee niet te vergelijken met de door haar genoemde uitspraak van 26 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6579. Dit brengt mee dat er in zoverre geen grond is voor het oordeel dat het advies van de SubPAC niet ten grondslag mocht worden gelegd aan de beslissing dat de functie van Adviseur EB 12 niet passend voor appellante was. Deze hoger beroepsgrond slaagt dus niet.

4.3.4.

Appellante betwist voorts de door de minister overgenomen inhoudelijke beoordeling van appellantes kennis en kunde. Appellante meent dat zij wel gemotiveerd is voor de functie en dat zij ook de competenties voor de functie bezit, die zij al vanaf 2005 uitvoert. Appellantes betoog over de competenties is grotendeels gebaseerd op het (gelet op 4.2.1 onjuiste) uitgangspunt dat zij functievolgend is voor de Adviseur EB 12. Blijkens de gedingstukken worden aan de functie van Adviseur EB 12 niet dezelfde eisen gesteld als aan de functie van Adviseur P&C 12. Dit blijkt uit de opsomming van de competenties en de benodigde werkervaring. De Raad ziet in appellantes stellingen voor het overige geen grond voor het oordeel dat de minister de uitvoerig gemotiveerde vaststelling van tekortkomingen in sommige van de noodzakelijke competenties en de onvoldoende werkervaring voor de functie van Adviseur EB 12 niet ten grondslag mocht leggen aan het bestreden besluit. Gezien de combinatie van onvoldoende werkervaring binnen de volle breedte van de functie van Adviseur EB 12, en de moeilijke ontwikkelbaarheid van onder meer de competentie conceptuele flexibiliteit acht de Raad ook aanvaardbaar dat de minister geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van om-, her- of bijscholing ten behoeve van een plaatsing in deze functie. De hoger beroepsgrond slaagt niet.

4.4.

Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) A. Mansourova

HD