Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
15-5574 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanwezigheid van psychische klachten wordt door verweerder niet ontkend. Vraag is of de gestelde verergering van de psychische klachten aanleiding geeft om alsnog een causaal verband aan te nemen. Gegeven de aanwezigheid van duidelijk andere oorzaken kan het beroep van appellanten op de zogeheten omgekeerde bewijslast geen doel treffen. De beroepsgrond over het beleid inzake SOT slaagt evenmin, nu niet is gebleken dat de erkende calamiteit, de internering in Tjeweng, de psychische klachten in betekenende mate heeft veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/5574 WUBO

Datum uitspraak: 12 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

de erven van [betrokkene] , laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens [betrokkene] (betrokkene) heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 juli 2015, kenmerk BZ01795079 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940‑1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 18 december 2015 is betrokkene overleden. Appellanten hebben als zijn rechtverkrijgenden de procedure voortgezet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016. Daar is betrokkenes [naam gewezen levenspartner] verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene is in 1942 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In april 2002 heeft hij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van

18 december 2002 heeft verweerder erkend dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld. Daartoe is aanvaard dat betrokkene tijdens de Bersiap-periode geïnterneerd is geweest in het kamp Tjeweng. De aanvraag is echter afgewezen op de grond dat er geen sprake was van blijvende lichamelijke en/of psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 juli 2003 ongegrond verklaard.

1.2.

In juni 2014 heeft betrokkene opnieuw een aanvraag ingediend. Bij besluit van

26 september 2014 is ook deze aanvraag afgewezen omdat de (nieuwe) klachten niet in verband staan met het door betrokkene meegemaakte oorlogsgeweld, maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Bij het bestreden besluit is het hiertegen gemaakte bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

2.1.

In verband met zijn eerste aanvraag is betrokkene, op verzoek van een geneeskundig adviseur van verweerder, in oktober 2002 onderzocht door de arts J.H. Husken. Hij kwam tot de conclusie dat de psychische klachten van betrokkene evident een gevolg moeten worden geacht van aanleg, vroegkinderlijke conditie, opvoeding, ervaring en leerprocessen in het kader van een bredere sociale context, cultuur en invloeden van de samenleving. Er kan dus niet worden gesteld dat de internering in de Bersiaptijd debet is aan de huidige psychoproblematiek, ook niet in sequentieel traumatisch opzicht. In bezwaar heeft geneeskundig adviseur N.F. Vogel, op basis van onder meer het verslag van het intakegesprek met Centrum ’45 en het verslag van Husken, geconcludeerd dat de geverifieerde calamiteit geen rol van betekenis heeft gespeeld, zodat het beleid inzake sequentiële oorlogstraumatisering (SOT) niet mag worden toegepast.

2.2.

Aan de thans aan de orde zijnde aanvraag heeft betrokkene ten grondslag gelegd dat zijn psychische klachten zijn toegenomen. Om die reden heeft verweerder betrokkene in augustus 2014 opnieuw laten onderzoeken, ditmaal door een geneeskundig adviseur van verweerder, de arts A.M. Ohlenschlager. Op grond van haar rapport en gegevens van de arts Husken, de psychotherapeut, de psychiater, de huisarts en van de arts G.J. Laatsch, die betrokkene in april 2014 in het kader van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) heeft onderzocht, heeft Ohlenschlager geconcludeerd dat geen sprake is van causaal psychisch en/of lichamelijk letsel ten gevolge van de oorlogservaringen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit.

2.3.

In bezwaar heeft betrokkene een medisch advies van Laatsch van 9 februari 2015 ingebracht. Laatsch komt op grond van dossierexpertise tot de conclusie dat bij betrokkene reeds in 2002 sprake was van blijvende causale psychische of lichamelijke invaliditeit als gevolg van de in het kader van de Wubo geverifieerde oorlogscalamiteit. Geneeskundig adviseur R. Loonstein heeft in zijn medisch advies van 2 juni 2015 gereageerd, in het bijzonder op het dossieronderzoek van Laatsch, en geconcludeerd dat geen sprake is van causale psychopathologie. Hij ziet geen aanleiding de eerder gegeven medische adviezen te wijzigen.

2.4.

Betrokkene heeft zich in het kader van de onderhavige procedure bij de Raad laten onderzoeken door Laatsch. Deze heeft in zijn medisch advies van 20 oktober 2015 geconcludeerd dat de internering als peuter in het kamp Tjeweng onder erbarmelijke omstandigheden en bij gedwongen afwezigheid van zijn moeder gedurende een periode van minimaal 7,5 maand ten tijde van de Bersiaptijd in betekenende mate heeft bijgedragen aan het ontstaan van de psychische klachten van betrokkene. Gezien de ernst en aard van de reeds in 2002 en nadien vastgestelde beperkingen is sprake van blijvende causale psychische invaliditeit als gevolg van de geverifieerde oorlogscalamiteit.

2.5.

Dat bij betrokkene sprake is van psychische klachten wordt door verweerder niet ontkend. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de gestelde verergering van de psychische klachten aanleiding geeft om alsnog een causaal verband aan te nemen. De Raad acht het bestreden besluit met de medische adviezen van verweerder voldoende zorgvuldig voorbereid en draagkrachtig gemotiveerd. De drie rapporten van Laatsch leiden niet tot een ander oordeel. In zijn rapport van april 2014 concludeert Laatsch weliswaar tot het bestaan van een partieel causaal verband, maar daarbij is in de eerste plaats van belang dat voor de AOR andere, in dit geval ruimere, maatstaven gelden dan voor de toepassing van de Wubo (uitspraak van 19 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1389). In het kader van de AOR is er volgens Laatsch sprake van een partieel verband met de oorlog en vooral de Bersiap-periode - waarin betrokkene geïnterneerd en nadien erg gediscrimineerd en geslagen werd door Indonesische jongeren - voor wat betreft het ontstaan van zijn latere en huidige psychische klachten. Andere oorzaken zijn de affectieve verwaarlozing door zijn ouders, die hem naar Nederland stuurden om te studeren en zelf teruggingen naar Indonesië. Deze analyse van Laatsch komt op belangrijke onderdelen overeen met die van Husken, die in navolging van Centrum ’45 heeft vastgesteld dat betrokkene op zeer gevoelige en jeugdige leeftijd is geconfronteerd met affectieve tekorten van de kant van de ouders. De gehele adolescentiefase (van 12-21 jaar) is hierdoor gekleurd en betrokkene is min of meer aan zijn lot overgelaten, met duidelijke negatieve gevolgen voor de separatie, de verzelfstandiging en de individuatie. Betrokkene heeft in deze periode niet verbleven in een normale gezinsstructuur. De gezinsstructuur was afwijkend en de zelfregulerende eigenschappen van een gezin hebben tekortgeschoten, waardoor bij betrokkene sprake is geweest en gebleven van bepaalde afwijkingen in zijn gedrag en reacties. Waar Laatsch in het rapport van oktober 2015 erop wijst dat sprake was van affectieve verwaarlozing door de moeder van betrokkene tijdens de internering, die onder erbarmelijke omstandigheden heeft plaatsgevonden, kan daaruit niet worden afgeleid dat deze interneringsperiode in betekenende mate verantwoordelijk is voor de psychische problematiek van betrokkene. Bij de onderzoeken door Centrum ’45, Huskens en Ohlenschlager is zo'n verband niet naar voren gekomen, daar betrokkene geen herinneringen heeft aan het verblijf in het kamp. Bovendien heeft betrokkene voor de internering in het kamp Tjeweng en erna traumatiserende en zeer problematische jaren gekend. Dat de internering in het kamp Tjeweng mogelijk langer heeft geduurd (7,5 maand) dan waar aanvankelijk vanuit is gegaan door onder anderen Ohlenschlager (5 maanden), maakt dit niet anders. De Raad wijst er in dit verband op dat Loonstein in zijn medisch advies ook is uitgegaan van een internering in het kamp Tjeweng van ten hoogste 7,5 maand.

2.6.

Gegeven de aanwezigheid van duidelijk andere oorzaken kan het beroep van appellanten op de zogeheten omgekeerde bewijslast geen doel treffen. De beroepsgrond over het beleid inzake SOT slaagt evenmin, nu niet is gebleken dat de erkende calamiteit, de internering in Tjeweng, de psychische klachten in betekenende mate heeft veroorzaakt.

2.7.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en het beroep van appellanten ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en M.T. Boerlage en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) J.L. Meijer

HD