Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1723

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
14-6570 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voldoende onderzoek naar de betrokkenheid van appellant bij oorlogsgeweld. De Raad volgt verweerder in zijn standpunt dat op grond van de beschikbare gegevens niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6570 WUBO

Datum uitspraak: 12 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 november 2014, kenmerk BZ01741901 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2016. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1942, heeft op 27 juli 2013 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, en voorzieningen voor huishoudelijke hulp en deelname aan het maatschappelijk verkeer.

1.2.

Bij besluit van 4 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder afwijzend op deze aanvraag beslist op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.

2. Naar aanleiding van wat in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1.

Appellant heeft naar voren gebracht dat zijn ouders - bij wie een Joods gezin inwoonde - in de oorlog zijn opgepakt en tewerk zijn gesteld in Duitsland. Appellant en zijn oudere zus zijn in [plaatsnaam] (Duitsland) geboren. Appellant is daar ziek geweest en heeft een tijd in het ziekenhuis gelegen. Hij was ondervoed. Als kind hoorde hij harde klappen, waarschijnlijk bombardementen. Verder heeft appellant gesteld dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in zijn derde levensjaar een groot gat achter zijn oor opliep, mogelijk door een scherf of kogel. Hierdoor is zijn gehoor verslechterd.

2.2.

Uit artikel 2 van de Wubo volgt dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer als eerste voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2808) kan een door een betrokkene genoemde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van zijn of haar eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt. Een dergelijke verklaring dient te worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens. Deze moeten bovendien betrekking hebben op de situatie van de betrokkene zelf en niet slechts op de algemene situatie ter plekke, waarin de gestelde gebeurtenissen zouden kunnen passen.

2.3.

De beroepsgrond van appellant dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de betrokkenheid van appellant bij oorlogsgeweld slaagt niet. Verweerder heeft onderzocht of relatiedossiers en verklaringen van getuigen aanwezig zijn en heeft navraag gedaan bij het Nederlandse Rode Kruis. Dit heeft geen gegevens over appellant opgeleverd. Onder deze omstandigheden zijn de beschikbare bronnen, in combinatie met de door appellant verstrekte gegevens, voldoende benut.

2.4.

De Raad kan verweerder volgen in zijn standpunt dat op grond van de beschikbare gegevens niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Vaststaat dat er geen gegevens zijn over de verblijfplaats van appellant tijdens de oorlogsjaren. Evenmin zijn er getuigen die het relaas van appellant kunnen bevestigen. De enkele omstandigheid dat in [plaatsnaam] bombardementen plaatsvonden en de mogelijke oorlogservaringen van zijn ouders zijn, gelet op hetgeen onder 2.2 is overwogen, onvoldoende om aan te nemen dat appellant direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld. Verder is de door appellant gestelde ondervoeding een algemene oorlogsomstandigheid waaraan velen in meer of mindere mate heeft blootgestaan in die periode.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en het beroep van appellant ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en M.T. Boerlage en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) J.L. Meijer

HD