Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
14-5099 WIJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Te laat bezwaar. Verwijtbaar, ook al heeft college besluit naar adres gestuurd waarvan het wist dat appellant hier niet woonde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5099 WIJ

Datum uitspraak: 3 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

31 juli 2014, 13/6205 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.R.A. Röschlau, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Röschlau. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. E.H. Siemeling.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 1 september 2010 tot en met 13 maart 2011 een inkomsensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren en sinds 14 maart 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant stond sinds 9 februari 2007 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans Basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [adres] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de klantmanager van appellant, heeft het team Handhaving van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant toegekende bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 mei 2013. Hieruit blijkt dat de woning van appellant begin februari 2013 is ontruimd door woningbouwvereniging Mitros. Uit de beschikking van de kantonrechter inzake de ontruiming blijkt dat appellant sinds augustus 2010 niet meer woonachtig is op het uitkeringsadres. Appellant heeft hiervan geen mededeling gedaan aan het college.

1.3.

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft het college de inkomensvoorziening over de periode van 1 september 2010 tot en met 13 maart 2011 alsmede de bijstand vanaf 14 maart 2011 ingetrokken en de ten onrechte gemaakte kosten tot een bedrag van € 34.406,30 van appellant teruggevorderd op de grond dat appellant sinds 1 september 2010 niet meer woonachtig is op het uitkeringsadres. Door dit niet aan het college door te geven heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 14 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het bezwaar niet binnen de bezwaartermijn van zes weken is ingediend. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de relevante wettelijke bepalingen naar de aangevallen uitspraak verwijst.

4.1.

Niet in geschil is dat het college het besluit van 16 mei 2013 op dezelfde datum heeft verzonden naar het uitkeringsadres.

4.2.

Appellant heeft gesteld dat het besluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het college het besluit van 16 mei 2013 naar het uitkeringsadres heeft gestuurd, terwijl bekend was dat appellant daar feitelijk niet meer woonde. Het college wist ten tijde van het versturen van het besluit van 16 mei 2013 dat de woning op 4 februari 2013 in verband met huurachterstand was ontruimd en dat appellant het besluit niet zou ontvangen.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het lag op de weg van appellant om, toen hij de woning op het uitkeringsadres verliet, zijn adreswijziging aan betrokken instanties zoals het college door te geven. Bovendien rustte op hem ingevolge artikel 17 van de WWB de verplichting om het college onverwijld in kennis te stellen van deze wijziging van zijn woonsituatie. Appellant heeft nagelaten om een adreswijziging door te geven. Daarbij komt dat hij op 19 april 2013 telefonisch contact heeft gehad met het college en toen heeft gezegd dat hij nog post kon ontvangen op het uitkeringsadres, omdat hij nog in het bezit was van een sleutel van de woning. Na deze datum en vóór de verzending van het besluit van 16 mei 2013 heeft hij niet meegedeeld dat zijn situatie was veranderd.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het besluit van 16 mei 2013 op juiste wijze is bekendgemaakt. Dit betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 17 mei 2013 en is geëindigd op 27 juni 2013. Het bezwaarschrift van appellant is op 26 juli 2013 door het college ontvangen en dus na afloop van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken ingediend. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college heeft het bezwaar van appellant dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.5.

Uit 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) B. Fotchind

HD