Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
14/5865 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen sprake van een onrechtmatigheid, zodat voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding geen grond bestaat. Geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5865 ZVW, 14/5866 ZVW

Datum uitspraak: 4 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

12 september 2014, 14/1498 en 14/1548 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om schadevergoeding

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Namens appellant heeft T.P. Sanders hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2016. Namens appellant is Sanders verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 23 april 2010 heeft het Zorginstituut aan appellant bericht dat hij op

15 april 2010 door zijn zorgverzekeraar OWM CZ Groep Zorgverzekeraar ua is aangemeld wegens een betalingsachterstand in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en dat hij vanaf mei 2010 een bestuursrechtelijke premie van € 136,72 per maand verschuldigd is. Een deel van deze premie, zijnde € 105,17, zal worden ingehouden op zijn uitkering en voor een bedrag van € 31,55 ontvangt hij een acceptgiro van het CJIB. Bij besluit van 5 juli 2012 heeft het Zorginstituut de heffing van bestuursrechtelijke premie beëindigd per 1 juli 2012.

1.2.

Bij besluit van 3 september 2012 heeft het Zorginstituut een eindafrekening bestuursrechtelijke premie gestuurd met de mededeling dat appellant nog een bedrag van € 2.603,27 verschuldigd is.

1.3.

Bij besluit van 25 februari 2013 heeft het Zorginstituut in verband met door het Zorginstituut ontvangen betalingen een herberekening van de eindafrekening opgesteld waarbij is vastgesteld dat appellant nog een bedrag van € 1.057,35 verschuldigd is.

1.4.

Bij besluit van 5 december 2013 heeft het Zorginstituut opnieuw een herberekening opgesteld en vastgesteld dat appellant nog een bedrag van € 647,95 verschuldigd is.

1.5.

Op 2 februari 2014 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 december 2013.

1.6.

Bij besluit op bezwaar van 17 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het besluit van 5 december 2013 herroepen en het bedrag dat appellant verschuldigd is vastgesteld op € 1.313,27. Omdat is gebleken dat er reeds bedragen zijn betaald dient appellant nog een bedrag van € 441,73 te voldoen.

1.7.

Bij brief van 18 april 2014 heeft het Zorginstituut appellant onder meer meegedeeld dat een herberekening van de herziene eindafrekening heeft plaatsgevonden en dat is gebleken dat appellant € 1.313,27 te weinig heeft betaald.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de brief van 18 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen, die erop neerkomen dat nog een bedrag van € 441,73 door appellant betaald dient te worden, in stand gelaten. Verder heeft de rechtbank het Zorginstituut veroordeeld in de proceskosten van appellant en bepaald dat het Zorginstituut het door appellant betaalde griffierecht vergoedt.

3. Appellant heeft hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak ingesteld en heeft verzocht om vergoeding van (immateriële) schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt vast dat appellant tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep te kennen heeft gegeven dat hij het oordeel van de rechtbank dat – zoals vermeld in het bestreden besluit – hij nog een bedrag van € 441,73 verschuldigd is niet langer betwist. Verder heeft het Zorginstituut toegezegd dat naast het door het Zorginstituut reeds betaalde bedrag aan griffierecht van € 45,- nog een bedrag van € 45,- aan griffierecht voor de tweede zaak aan appellant zal worden betaald.

4.2.

In hoger beroep is nog in geschil het verzoek om schadevergoeding van appellant. Appellant heeft aangevoerd dat hij in verband met de trage en onduidelijke besluitvorming van het Zorginstituut is benadeeld. Op grond hiervan vordert appellant vergoeding van de geleden schade zoals bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu appellant het in het bestreden besluit vermelde nog te betalen bedrag van € 441,73 niet meer bestrijdt, is geen sprake van een onrechtmatigheid en is reeds daarom voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding geen grond.

4.3.

Voor zover het verzoek van appellant ziet op een veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overweegt de Raad als volgt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van

26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Die situatie is hier aan de orde. Vanaf de indiening van het eerste bezwaarschrift tot aan de uitspraak van de Raad zijn nog geen vier jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden om in dit geval af te wijken van de termijn van vier jaar is niet gebleken.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

4.5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak en;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) I.G.A.H. Toma

UM