Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1689

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
14/5153 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering nabestaandenuitkering. Echtgenoot was ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd ingevolge de ANW en ook niet ingevolge de Marokkaanse wettelijke regelingen. De Svb heeft terecht geweigerd de echtgenoot van appellante postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5153 ANW, 14/5288 ANW

Datum uitspraak: 4 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

24 juli 2014, 14/41 en 14/2211 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2016. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante woont in Marokko. Haar echtgenoot, geboren in 1929, heeft in Nederland gewoond en was ten tijde van zijn overlijden op 21 augustus 2012 woonachtig in Marokko. De echtgenoot van appellante ontving ten tijde van zijn overlijden een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).

1.2.

Appellante heeft een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Bij beslissing op bezwaar van 22 november 2013 heeft de Svb zijn besluit van 5 augustus 2013 gehandhaafd, waarbij is geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de ANW en ook niet ingevolge de Marokkaanse wettelijke regelingen.

1.3.

Bij besluit van 6 november 2013 heeft de Svb de aanvraag van appellante om postume deelname van haar echtgenoot aan de vrijwillige verzekering afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2014 is het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2013 ongegrond verklaard. Ter motivering wordt opgemerkt dat de echtgenoot van appellante na beëindiging van zijn verplichte verzekering bevoegd was de verzekering op vrijwillige basis voort te zetten, maar van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Pas na zijn overlijden is door appellante namens haar echtgenoot een verzoek ingediend om postuum deel te nemen aan de vrijwillige verzekering. Onder verwijzing naar de artikelen 63a en 63b van de ANW wordt geconcludeerd dat de echtgenoot van appellante niet postuum mag deelnemen aan de vrijwillige verzekering.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet voldeed aan de voorwaarden om verzekerd te worden geacht ingevolge de ANW. Voorts heeft de Svb terecht geweigerd de echtgenoot van appellante postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij recht heeft op een nabestaandenuitkering, omdat zij zich in moeilijke financiële omstandigheden bevindt.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen op de grond dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Verder is in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd de echtgenoot van appellante postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW.

4.2.

Voor zover de echtgenoot van appellante op grond van zijn AOW-uitkering tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen op grond van het met ingang van die datum vervallen artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, bestond voor hem de mogelijkheid zich na die datum vrijwillig te verzekeren. Vaststaat dat de echtgenoot van appellante van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.

4.3.

Met betrekking tot de weigering van de Svb de echtgenoot van appellante postuum alsnog te laten deelnemen aan de vrijwillige verzekering voor de ANW, moet worden vastgesteld dat de aanvraag daarvoor te laat is ingediend. Door appellante is niets aangevoerd dat zou kunnen meebrengen dat de niet-tijdige aanvraag om deelname aan de vrijwillige verzekering verschoonbaar is.

4.4.

Dit betekent dat de echtgenoot van appellante op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW, zodat in zoverre geen aanspraak bestaat op een nabestaandenuitkering ingevolge die wet.

4.5.

Op grond van gegevens van het Caisse Nationale de Sécurité Sociale staat verder vast dat de echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de Marokkaanse wetgeving, zodat ook op grond van artikel 13a van de ANW in combinatie met artikel 22 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko geen aanspraak op een nabestaandenuitkering bestaat.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraken bevestigd moeten worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) R.I. Troelstra

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500

EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip kring van verzekerden.

AP

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) confirme les décisions attaquées.

Par conséquent, décidée par M.M. van der Kade en présence de R.I. Troelstra en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 4 mai 2016.

Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas:

Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.