Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1681

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
12-05-2016
Zaaknummer
14-3726 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Beëindiging ziekengeld. Voldoende medische grondslag. Geschiktheid voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0493

Uitspraak

14/3726 WIA, 15/3455 ZW

Datum uitspraak: 4 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

22 mei 2014, 13/2284 (aangevallen uitspraak 1) en 7 april 2015, 14/3686

(aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.M.J.J. Dewarrimont hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1. Mr. M.W.M. Pennings, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde in dat hoger beroep gesteld en namens appellante hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2016. Mr. Pennings is verschenen namens appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam bij [werkgever] (werkgever) als verzorgende C voor ongeveer 20 uur per week toen zij zich op 25 januari 2010 ziek meldde wegens psychische klachten.

1.2.1.

Het Uwv heeft bij besluit van 10 januari 2013 vastgesteld dat appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd, die wegens een aan de werkgever opgelegde loonsanctie met

52 weken is verlengd, met ingang van 21 januari 2013 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellante per 21 januari 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Aan dit besluit liggen een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag. De verzekeringsarts heeft de voor appellante geldende belastbaarheid, rekening houdend met een hernia op het niveau L4-L5 of L5-S1 en spanningsklachten, neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 december 2012. De arbeidsdeskundige heeft appellante met haar beperkingen in staat geacht functies als wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050), machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122), samensteller

kunststof- en rubberindustrie (SBC-code 271130), administratief medewerker

(beginnend; SBC-code 315090) en inpakker (handmatig; SBC-code 111190), te vervullen. Het arbeidsongeschiktheidspercentage heeft hij, rekening houdend met het mediane loon in de drie hoogstverlonende functies, berekend op 32,38.

1.2.2.

Bij besluit van 13 juni 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 januari 2013 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 mei 2013 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 juni 2013 ten grondslag. De arts heeft aanleiding gezien de FML aan te passen en een beperking voor schouderbelasting toe te voegen wegens schouderklachten die mogelijk na de datum in geding zijn ontstaan. Volgens deze arts is sprake van chronische rugklachten en behoeft zitten, staan en lopen niet te worden afgewisseld. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de geselecteerde functies, rekening houdend met de FML zoals vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, nog steeds geschikt zijn. De mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 32,55%. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1.

1.3.1.

Appellante heeft zich per 12 september 2013 ziek gemeld wegens rug- en linkerschouderklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.3.2.

Appellante heeft op 24 juli 2014 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante per diezelfde datum geschikt geacht voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 24 juli 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 24 juli 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 oktober 2014 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 2 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

28 oktober 2014 ten grondslag. Tegen bestreden besluit 2 heeft appellante eveneens beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen van appellante tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.1.1.

In een aanvullend hogerberoepschrift in de WIA-procedure heeft appellante, kort samengevat, aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is en dat de verzekeringsartsen onvoldoende beperkingen hebben aangenomen. Naast een aantal beperkingen in de rubrieken dynamische en statische handelingen dient volgens appellante ook een urenbeperking tot vier uur per dag en tien uur per week in acht te worden genomen. Met inachtneming van deze verdergaande beperkingen is zij niet in staat de geselecteerde functies te verrichten. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante gewezen op de door bedrijfsarts Theunissen opgestelde FML, op de FML opgesteld door de werkgever aangestelde arbeidsdeskundige G.R. van den Oord en op de bevindingen van de ayurvedisch arts O.E.L.J. Muurmans en de osteopaat C. Verheul.

3.1.2.

In de ZW-procedure heeft appellante in een aanvullend hogerberoepschrift, kort samengevat, het standpunt ingenomen dat door de verzekeringsartsen van het Uwv onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat haar medische situatie sinds de WIA-beoordeling is verslechterd. Appellante heeft gewezen op nieuwe medische informatie, te weten het feit dat zij lijdt aan bekkeninstabiliteit, zoals gediagnosticeerd door Verheul. Ter bevestiging van deze diagnose heeft appellante zich verder beroepen op de ingezonden rapporten van de bekkentherapeut K.T.W. Vaasen-Opstal, de fysiotherapeut B.H.A.M.E. van den Bosch en de arts F. Veen. Verder heeft appellante gewezen op de permanente pijnmedicatie voor haar rug, zoals die blijkt uit de diverse rapporten van de anesthesist-pijnbestrijder C. Wilhelmi, en op de injecties in haar linkerschouder die de huisarts haar heeft toegediend wegens een bursitis en calcarea.

3.1.3.

Appellante heeft de in 3.1.2 genoemde medische stukken tevens ingezonden in de WIA-procedure. In beide procedures heeft appellante een besluit van het Uwv van 21 januari 2016, haar bezwaarschrift tegen dat besluit en een e-mailwisseling tussen appellante en een bij het Uwv werkzame medewerker ingezonden. Bij het besluit van 21 januari 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante over de periode van 12 september 2013 tot en met 20 juni 2014 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering en over de periode van 21 juni 2014 tot 24 juli 2014 op een WGA-loonaanvullingsuitkering. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante gesteld dat met dit besluit het Uwv heeft bevestigd dat appellante over de periode van 12 september 2013 tot en met 23 juli 2014 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WIA is. Volgens appellante is haar situatie na 23 juli 2014 alleen maar verslechterd, zodat zij op en na 24 juli 2014 nog steeds 100% arbeidsongeschikt is en in aanmerking komt voor een

WIA-uitkering. Verder is het standpunt ingenomen dat de medische situatie van appellante op 10 januari 2013 en 12 september 2013 hetzelfde is en dat daarom op 13 juni 2013 geconcludeerd had moeten worden dat appellante 100% arbeidsongeschikt is.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit en onder verwijzing naar diverse uitvoerig gemotiveerde rapporten van verzekeringsartsen bezwaar en beroep, kort samengevat, het standpunt ingenomen dat de door appellante in geding gebrachte informatie in beide zaken geen aanleiding heeft gegeven tot het innemen van een ander standpunt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling staan de vragen of de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat appellante op en na 21 januari 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is, en dat appellante per

24 juli 2014 geen recht heeft op ziekengeld, omdat zij per die datum in staat moet worden geacht tot het verrichten van ten minste één van de functies die aan haar zijn voorgehouden bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Het ter zitting door de gemachtigde van appellante ingenomen standpunt geeft aanleiding tot de volgende overwegingen. De vraag of appellante op en na 24 juli 2014 aanspraak kan maken op een WIA-uitkering is onderwerp van de bezwaarprocedure tegen het besluit van het Uwv van 21 januari 2016. Met dit besluit wordt geen wijziging gebracht in de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten. Het besluit van 21 januari 2016 kan dan ook niet met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht worden betrokken bij de hoger beroepen waarop in deze uitspraak zal worden beslist. Uit het enkele gegeven dat het Uwv aanneemt dat appellante op 12 september 2013 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WIA is, kan niet de conclusie worden getrokken dat zij ook op 10 januari 2013 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WIA is. In de periode vanaf 10 januari 2013 heeft appellante een WW-uitkering ontvangen en ruim acht maanden later heeft zij zich opnieuw ziek en toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Deze omstandigheid biedt geen steun voor het standpunt dat de medische situatie van appellante op 10 januari 2013 en 12 september 2013 hetzelfde is. Wat niet wegneemt dat in de WIA-procedure beoordeeld moet worden of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante per 10 januari 2013 niet in een relevante mate arbeidsongeschikt in de zin van de WIA is.

4.3.

Onder de gedingstukken bevinden zich talloze brieven van medische specialisten, alternatieve genezers, diverse therapeuten en rapporten van verzekeringsartsen

(bezwaar en beroep). Het beeld dat uit deze stukken naar voren komt is dat appellante zich aanvankelijk per 25 januari 2010 heeft ziek gemeld wegens psychische klachten, voornamelijk als gevolg van relatieproblematiek die uiteindelijk heeft geleid tot een echtscheiding. Appellante is verder sinds lang bekend met lage rugklachten, die tot veel pijnklachten aanleiding hebben gegeven. In maart 2013 is vastgesteld dat sprake is van rotator-cuff kalk in de linkerschouder. In de WIA-beoordeling heeft de verzekeringsarts Lemaire rekening gehouden met de lage rugklachten van appellante door bij het opstellen van de FML uit te gaan van een belastbaarheid voor rugsparend werk. Verder heeft hij ook wegens de spanningsklachten beperkingen opgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep Corten heeft de FML aangepast voor schoudersparend werk, ook al zijn die schouderklachten misschien pas ontstaan na 21 januari 2013 (de datum in geding).

4.4.1.

In de reguliere geneeskunde is voor de lage rugklachten van appellante geen medische oorzaak gevonden, zoals blijkt uit onderzoeken door de orthopedisch chirurg P.B.J. Tilman, de neuroloog F.A. Rooyer, de revalidatiearts R.H.F. Haenen, de neuroloog I. Raets en de revalidatiearts E.P.F. Jansen. Van een op 10 september 2010 gemaakte MRI heeft de neurochirurg J. Deckers vastgesteld dat deze zo goed als normaal is. Deckers heeft appellante verwezen voor intensieve rugconditionering te Hoensbroek. De anesthesioloog

L.H.H.M. Ubags heeft na een provacatieve discografie in februari 2011 afgezien van verdere behandeling. Hij heeft wel een houdingsanomalie gezien. Appellante is vervolgens op

23 februari 2011 onder behandeling gekomen van Wilhelmi. Uit het laatste rapport van Wilhelmi van 27 februari 2015 kan worden opgemaakt dat appellante in de periode van

10 maart 2011 tot en met 1 mei 2014 acht maal een invasieve behandeling heeft ondergaan. Met de laatste behandeling op 1 mei 2014 is een significante pijnvermindering over een half jaar bereikt. In verband met toegenomen pijn in februari 2015 heeft Wilhelmi een hernieuwde evaluatie gepland op eind april 2015. Volgens Wilhelmi is het van belang dat appellante gebruik maakt van fysiotherapie en oefentherapie om de beweeglijkheid van de wervelkolom te verbeteren. Verder is stijfheid en spierverkramping te verminderen met massage en warmtebehandeling en kunnen aan de hand van een cognitieve therapie pijncoping-strategieën worden geleerd.

4.4.2.

Verzekeringsarts bezwaar en beroep Corten en de in de ZW-procedure optredende verzekeringsarts bezwaar en beroep Van den Brand hebben in de door appellante ingezonden informatie van Verheul, Vaasen-Opstal en Van den Bosch geen aanleiding gezien voor aanpassing van de FML, onderscheidenlijk aanpassing van het standpunt dat appellante per

24 juli 2014 in staat moet worden geacht ten minste één van de in het kader van de

WIA-beoordeling geselecteerde functies te kunnen verrichten. Hun in diverse rapporten weergegeven standpunt is inzichtelijk en leidt tot een heldere conclusie. Verheul en Van den Bosch stellen dat sprake is van bekkeninstabiliteit. Zij zijn geen regulier arts of specialist. Volgens Vaasen-Opstal, een gespecialiseerd bekkentherapeut, is geen sprake van bekkeninstabiliteit, maar van bekkenbodempijn. Los van de vraag of de diagnose bekkeninstabiliteit wel of niet gesteld kan worden, gaat het niet zozeer om de gestelde diagnose maar om de beperkingen en is met pijnklachten steeds rekening gehouden.

4.5.

Het geheel overziende kan met de rechtbank worden geconcludeerd dat de verzekeringsgeneeskundige onderzoeken zorgvuldig zijn uitgevoerd en dat alle voorhanden medische informatie is meegewogen. Alle klachten die medisch geobjectiveerd konden worden hebben geleid tot het aannemen van beperkingen. Dat die klachten tot meer beperkingen hadden moeten leiden kan uit de ook door appellante in geding gebrachte medische stukken niet worden opgemaakt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen berusten de bestreden besluiten op een juiste medische grondslag. Appellante moet per

21 januari 2013 in staat worden geacht tot het verrichten van de geselecteerde functies.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat appellante op en na 21 januari 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat appellante per 24 juli 2014 geen recht heeft op ziekengeld, omdat zij per die datum in staat moet worden geacht tot het verrichten van ten minste één van de functies die aan haar zijn voorgehouden bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, in tegenwoordigheid van

B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) B. Dogan

AP