Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1678

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
14-6675 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Melding toegenomen arbeidsongeschiktheid. Vereiste WIA: binnen vijf jaar na afloop van wachttijd (29 juli 2008) meer dan 35% arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde oorzaak. Juist oordeel rechtbank. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek, niet te weinig beperkingen in FML. Arbeidskundige onderbouwing deugdelijk. Werkvoorziening voor aspect vervoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0492
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6675 WIA

Datum uitspraak: 29 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

3 november 2014, 14/1363 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.D. Pietersz hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pietersz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaker. Hij heeft van 30 augustus 2001 tot 2 mei 2004 op grond van angst- en paniekklachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Nadat appellant zich in 2006 toegenomen arbeidsongeschikt had gemeld met psychische klachten, heeft het Uwv bij besluit van 3 juli 2008 vastgesteld dat met ingang van 29 juli 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder was dan 35%. Dit besluit was mede gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat uitwees dat de psychische klachten voortkwamen uit een andere oorzaak dan de klachten op grond waarvan eerder een WAO-uitkering was toegekend.

1.2.

Bij in rechte vaststaande besluiten van 2 september 2010 en 5 september 2011 heeft het Uwv in door appellant gedane meldingen van toegenomen klachten geen aanleiding gezien appellant voor een WIA-uitkering in aanmerking te brengen. Het aan het besluit van 4 april 2012, waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 september 2011 ongegrond is verklaard, ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft uitgewezen dat appellant bekend is met diabetes mellitus. Voor appellant zijn toegenomen beperkingen aangenomen als gevolg van wegrakingen (flauwvallen). Bij appellant konden geen ernstige psychopathologie en/of persoonlijkheidsproblematiek worden vastgesteld. Voor de flauwtes was geen somatische oorzaak aan te wijzen. Deze leken hun oorzaak te vinden in door appellant ervaren stressvolle situaties. In verband met deze flauwte-aanvallen zijn in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 augustus 2011 aanvullende beperkingen opgenomen wat betreft werken in situaties met een verhoogd persoonlijk risico. In zijn uitspraak van 12 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4385) heeft de Raad de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit van 4 april 2012 onderschreven.

1.3.

Op 28 augustus 2013 heeft appellant opnieuw een melding van verslechterde gezondheid gedaan, waarbij hij een toename psychische klachten en rechterarm/handklachten met ingang van 15 juli 2013 claimt. Verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft vervolgens uitgewezen dat er geen duidelijke toename van de beperkingen kon worden vastgesteld. Wel zijn aanvullende beperkingen aangenomen voor werk dat steeds een hoge concentratie vergt en voor conflicthantering. Arbeidskundig onderzoek heeft uitgewezen dat het verlies aan verdienvermogen van appellant met ingang van 15 juli 2013 moet worden vastgesteld op 19,95%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 18 november 2013 vastgesteld dat appellant met ingang van 15 juli 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

1.4.

Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 18 november 2013 gemaakte bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv op basis van eigen onderzoek en informatie van de behandelend artsen van appellant gerapporteerd dat er geen aanwijzingen zijn voor een evidente toename van de psychische stoornis op en na 15 juli 2013 en dat er evenmin aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een specifieke stoornis op basis waarvan de rechterarm/handklachten verklaard zouden kunnen worden. Wel heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 12 februari 2014 aanvullend een urenbeperking van één dagdeel per week in verband met verminderde beschikbaarheid aangenomen, alsmede een beperking op het aspect vervoer wegens een kennelijk onvermogen van appellant om zelfstandig te reizen.

1.5.

Het op basis van de FML van 12 februari 2014 uitgevoerde onderzoek van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 15 juli 2013 nader moet worden vastgesteld op 34,22%. Vervolgens heeft het Uwv het bezwaarschrift van appellant bij besluit van 25 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft vooropgesteld dat het in dit geding gaat om de vraag of appellant gelet op artikel 55, eerste lid aanhef en onder b en derde lid van de Wet WIA, op grond van toegenomen arbeidsongeschiktheid alsnog recht heeft op een WIA-uitkering. Daartoe is vereist dat hij binnen vijf jaar na afloop van de in 1.1 vermelde wachttijd (29 juli 2008) meer dan 35% arbeidsongeschikt is geworden en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

2.2.1.

Volgens de rechtbank hebben de verzekeringsartsen terecht geconcludeerd dat er geen aanwijzingen bestaan voor het aannemen van een ernstige psychiatrische stoornis en dat er geen sprake is van een toename van de psychische problemen van appellant op en na 15 juli 2013. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd die de conclusie van de verzekeringsartsen weerspreken.

2.2.2.

De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hem, ondanks de afwezigheid van een ernstige psychiatrische stoornis, toch beperkt had moeten achten wat betreft het vasthouden en verdelen van de aandacht, herinneren, handelingstempo, hanteren van emotionele problemen van anderen en eigen gevoelens uiten. Het toepassen van de in de Basisinformatie Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) beschreven vuistregel dat op deze aspecten over het algemeen alleen beperkingen worden aangenomen bij ernstige psychiatrische en/of cognitieve stoornissen, is niet strijdig met de wettelijke systematiek. De vuistregel laat bovendien onverlet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de mogelijkheid heeft om in het individuele geval aanvullende beperkingen aan te nemen, ook als er geen sprake is van een ernstige stoornis. Dit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dit geval ook gedaan door appellant wegens zijn psychische klachten onder meer aangewezen te achten op routinematig werk en werk waarbij niet steeds een hoge concentratie nodig is.

2.2.3.

Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hij niet kan reizen zonder begeleiding van een bekend en vertrouwd persoon, heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant dit standpunt niet met medische stukken heeft onderbouwd en dat de enkele opmerking van appellant dat zijn situatie wezenlijk verschilt van de situatie waarop de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangehaalde uitspraken van de Raad van, onder meer, 19 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2972) betrekking hebben, dit niet anders maakt.

2.2.4.

Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit, heeft de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten slotte gevolgd in zijn standpunt dat in de ten tijde in geding plaatsgevonden hebbende psychiatrische en psychologische behandelcontacten van appellant geen aanleiding is gelegen tot het aannemen van een grotere urenbeperking, omdat deze contacten niet wekelijks plaatsvonden.

2.3.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het Uwv het bestreden besluit van een deugdelijke arbeidskundige motivering heeft voorzien. De stelling van appellant dat de voor hem geselecteerde functies niet geschikt zijn in verband met een te hoog handelingstempo en te veel geluidsbelasting is niet gevolgd, omdat appellant op deze aspecten niet beperkt is. Voorts heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep de uit haar rapport van 18 februari 2014 naar voren komende mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant van een toereikende toelichting voorzien. Anders dan appellant heeft gesteld, is in de geselecteerde functies geen sprake van een drukke werkomgeving en hoeft in deze functies niet alleen in kleine gesloten ruimtes te worden verbleven. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat in de geselecteerde functies van drukte, in de zin van hectiek, geen sprake is.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden in hoofdzaak herhaald. Appellant heeft sinds zijn eerste ziektedag angst-, dwang- en depressieve klachten. Sinds maart 2011 is er tevens sprake van wegrakingen. Appellant heeft korte tijd baat gehad bij een behandeling bij NOAGG Centrum voor Transculturele Geestelijke Gezondheidszorg (NOAGG), maar medio 2013 zijn vooral de angstklachten, die zich uiten in paniek en claustrofobie en hyperventilatie, weer in volle hevigheid teruggekomen. Appellant functioneert marginaal en dan nog alleen met hulp van zijn directe omgeving. Voorts heeft appellant de in de procedure bij de rechtbank aangevoerde arbeidskundige bezwaren (letterlijk) herhaald.

3.2.

Ter zitting heeft appellant desgevraagd te kennen gegeven dat hij de systematiek van het CBBS niet betwist, maar wel de interpretatie die het Uwv daaraan ten aanzien van hem heeft gegeven. Appellant heeft herhaald dat het Uwv voor appellant ten onrechte niet meer beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de FML heeft aangenomen. Ten slotte heeft appellant, ten betoge dat hij niet zelfredzaam is, gewezen op een indicatiebesluit van 19 december 2014 van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), waarbij hem met ingang van 19 december 2014 voor de duur van zes maanden een indicatie voor individuele begeleiding is verleend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Appellant heeft in hoger beroep, behoudens het in 3.2 vermelde CIZ-indicatiebesluit van 19 december 2014, geen medische stukken overgelegd die aanleiding geven tot twijfel over de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Het indicatiebesluit van 19 december 2014 geeft daar evenmin aanleiding toe. Nog daargelaten dat dit besluit berust op een ander wettelijk toetsingskader dan het bestreden besluit, heeft appellant ter zitting verklaard dat hij deze indicatie al sinds 2007 heeft, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze indicatie samenhangt met klachten die ook al in de eerdere, in 1.1 en 1.2 vermelde procedures zijn meegewogen en ook toen niet tot het oordeel hebben geleid dat appellant niet zelfredzaam is. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het Uwv te weinig beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de FML heeft aangenomen. Ten slotte is, anders dan in de zaak waarop de in 2.2.3 genoemde uitspraak van de Raad van 19 december 2013 betrekking heeft, in de FML geen medische indicatie voor een vaste begeleider opgenomen.

4.2.

Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing, daarbij in aanmerking nemende dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de in het Resultaat Functiebeoordeling aangeduide mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van een deugdelijke toelichting heeft voorzien. Meer in het bijzonder met betrekking tot het aspect vervoer heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep te kennen gegeven dat appellant weliswaar is aangewezen op vervoer door derden, maar dat hierin voorzien kan worden door een te treffen werkvoorziening, waarbij gedacht kan worden aan taxivervoer of aan een persoon om appellant te begeleiden. Daarmee is voldoende toegelicht dat er geen sprake van een ontoelaatbare overschrijding op het aspect vervoer.

4.3.

Wat in 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.4.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en P. Vrolijk en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2016.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AP