Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
11-05-2016
Zaaknummer
15-1314 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juist oordeel rechtbank. Overwegingen volledig onderschreven. Aanvullende beperking heeft niet geleid tot wijziging van de besluitvorming omdat de functies kunnen worden gehandhaafd. Geen nieuwe medische onderbouwing ingediend die twijfel oproept aan de juistheid medische beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0491

Uitspraak

15/1314 WIA

Datum uitspraak: 4 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

29 januari 2015, 13/3623 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de erven van [betrokkene] (betrokkene) te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. drs. De Kort heeft de Raad bericht dat betrokkene is overleden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2016. Mr. drs. De Kort is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene, laatstelijk werkzaam als banketbakker, is op 28 december 2010 uitgevallen met heupklachten na een val. Op 28 september 2012 heeft hij een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 14 november 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat betrokkene met ingang van 25 december 2012 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij in staat wordt geacht meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.

1.3.

Omdat in bezwaar werd vastgesteld dat betrokkene naast de heupproblematiek ook andere aandoeningen, namelijk COPD en obesitas, heeft, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat betrokkene ongewijzigd blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van minder dan 35%. Bij besluit van 3 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 november 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3.1.

In hoger beroep heeft betrokkene herhaald dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen. Betrokkene heeft gewezen op informatie van radiodiagnost N.C. Veltman en van orthopedisch chirurg dr. L.P.A. Bom. Verder is betrokkene van mening dat hij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan verrichten omdat hierin dagelijks ongeveer een uur knielen en hurken voorkomt. Gezien zijn postuur en de pijnklachten acht betrokkene zich hiertoe niet in staat.

3.2.

Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek en dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. De overwegingen van de rechtbank worden volledig onderschreven. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij rapport van 29 juli 2013 nog een aanvullende beperking aangenomen voor (al dan niet beroepsmatig) auto-, bus- en vrachtwagen rijden in verband met tijdens de beroepsprocedure overgelegde medische informatie. Dit heeft niet geleid tot wijziging van de besluitvorming omdat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd ook met deze aanvullende beperking kunnen worden gehandhaafd.

4.2.

In hoger beroep is geen nieuwe medische onderbouwing ingediend die twijfel oproept aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. Gelet hierop slaagt het hoger beroep, voor zover het is gericht tegen de medische grondslag van het bestreden besluit, niet.

4.3.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de geschiktheid van de voorgehouden functies afdoende is gemotiveerd door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij rapport van

31 juli 2013.

4.4.

Gelet op overwegingen 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries, in tegenwoordigheid van

L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

(getekend) L.H.J. van Haarlem

MO