Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1667

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
15-3359 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten stoffering en dubbele huur. Grotere woning: niet noodzakelijke verhuizing. Toewijzing bij nieuwe aanvraag is niet tegemoetkomen omdat nieuwe beoordeling is gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3359 WWB, 15/3360 WWB

Datum uitspraak: 10 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

14 april 2015, 14/4905 en 15/754 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.M.E. van der Haar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Haar, die tevens optrad namens appellante. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.A. van Wingerden.

Het onderzoek is ter zitting geschorst. Het college heeft nadere stukken ingediend. Namens appellanten is hierop gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 18 juni 1998 bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Appellanten woonden vanaf 1999 met hun drie kinderen in een woning met twee slaapkamers aan de [adres 1] . Vanaf 4 februari 2014 huren appellanten een grotere woning aan de [adres 2] .

1.3.

In verband met de nieuwe woning hebben appellanten op 5 februari 2014 en 31 maart 2014 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor onder andere de kosten van een bank, tapijt en gordijnen (stoffering) en voor de kosten van dubbele huur.

1.4.

Bij besluit van 17 maart 2014 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juni 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college - voor zover van belang - de aanvraag voor de kosten van stoffering en het bankstel afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er geen noodzaak was voor de verhuizing. Een verhuizing naar een grotere woning is wellicht wenselijk, maar dat betekent niet dat het noodzakelijk is. Er bestond geen medische noodzaak en ook is geen urgentieverklaring toegekend.

1.5.

Bij besluit van 8 mei 2014 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 juni 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van dubbele huur afgewezen. Aan de besluitvorming is eveneens ten grondslag gelegd dat de verhuizing niet noodzakelijk was.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - voor zover van belang - overwogen dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat de kosten van woninginrichting in beginsel bestreden moeten worden uit het inkomen, hetzij door middel van reserveren, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Pas als de kosten noodzakelijk zijn als gevolg van bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat de kosten niet uit de aanwezige draagkracht kan worden voldaan, kan er bijzonder bijstand worden verleend. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt at indien geen sprake is van medische noodzaak volgens het WMO-criterium, noch sprake is van een urgentieverklaring, de noodzaak van verhuizing op andere gronden moet worden beoordeeld. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat niet is gebleken van individuele bijzondere omstandigheden, zoals hiervoor genoemd. Het gaat niet om onvoorziene kosten. Appellanten hadden voor die kosten kunnen reserveren en hebben geen omstandigheden aangevoerd die kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden op grond waarvan reservering niet mogelijk zou zijn. Het college heeft de aanvraag voor bijzondere bijstand voor stoffering en voor dubbele huur dan ook terecht afgewezen.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bankstel

4.1.

Na de zitting van de Raad heeft het college meegedeeld dat, naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van appellanten, aan hen bijzondere bijstand voor de kosten van een bankstel wordt toegekend tot een bedrag van € 1.070,-. Appellanten hebben hierop laten weten dat zij dit bedrag van het college hebben ontvangen voor de aankoop van een bank. Zij hebben daarbij aangevoerd dat deels aan het hoger beroep is tegemoetgekomen en dat dit gevolgen dient te hebben voor de proceskostenveroordeling.

4.2.

Appellanten hebben geen belang meer bij het verkrijgen van een oordeel over de aangevallen uitspraak. Met het toekennen van bijzondere bijstand voor de kosten van een bank hebben zij immers bereikt wat zij met deze procedure probeerden te bereiken.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep voor zover dit ziet op de bijzondere bijstand voor de kosten van aanschaf van een bank niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.4.

Anders dan appellanten stellen is er geen grond voor een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep is tegemoet gekomen, in welk geval, indien het hoger beroep zou zijn ingetrokken, met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling mogelijk is. Van tegemoetkomen door het college in deze zin is echter geen sprake. De beslissing van het college bijzondere bijstand voor de kosten van een bankstel toe te kennen is niet het gevolg van het instellen van het (hoger) beroep, maar deze beslissing is gevolgd naar aanleiding van een nieuwe aanvraag op basis van een nieuwe beoordeling en nieuwe feiten. Daarom kan het besluit van het college niet beschouwd worden als een besluit waarmee aan de indiener van het hoger beroepschrift is tegemoetgekomen.

Stoffering en dubbele huur

4.5.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.6.

Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan ingevolge deze bepaling een zekere beoordelingsvrijheid. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.7.

Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste motivering heeft gehanteerd, omdat zij de vraag of de kosten noodzakelijk zijn niet heeft beantwoord en enkel heeft geoordeeld dat de kosten niet voorvloeien uit individuele bijzondere omstandigheden.

4.8.

Het college heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat de kosten waarvoor appellanten bijstand hebben aangevraagd niet noodzakelijk zijn.

4.9.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de verhuizing noodzakelijk was. Vast staat dat er geen medische noodzaak was te verhuizen dan wel dat appellanten voor de verhuizing een urgentieverklaring hadden. Ook anderszins hebben zij de noodzaak niet aannemelijk gemaakt. Dat sprake was van een kleine behuizing voor appellant en zijn gezin en dat naarmate de kinderen opgroeiden het geringe aantal slaapkamers een probleem ging vormen, maakt niet dat sprake was van een noodzakelijke verhuizing en dat daarmee de kosten noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35 van de WWB. Het was dan ook een keuze van appellanten om naar een grotere woning te verhuizen. Bezien vanuit het oogpunt van toepassing van de WWB behoren die kosten die voortkomen uit de keuze van appellanten om te verhuizen voor hun rekening te blijven. De kosten van stoffering en dubbele huur kunnen dan ook niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen. Dit oordeel van de rechtbank is juist. In wat appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor een vernietiging van de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep voor zover dit ziet op de kosten van stoffering en dubbele huur slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dat ziet op bijzondere bijstand in de

kosten van aanschaf van een bank;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2016.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) M.S. Spek

HD