Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2016
Datum publicatie
17-05-2016
Zaaknummer
14-4017 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Verklaringen en feiten bieden voldoende grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/4017 WWB

Datum uitspraak: 3 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

10 juli 2014, 14/321 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016. Appellanten, daartoe opgeroepen, zijn verschenen, bijgestaan door mr. Schriemer. Het college, eveneens daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Guliker.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 18 januari 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante ontving vanaf 1 februari 2013 bijstand ingevolge de WWB, eveneens naar de norm voor een alleenstaande. Ten tijde in geding stond appellant in de gemeentelijke basis administratie persoonsgegevens (GBA, thans: basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [adres] (uitkeringsadres). Vanaf 19 augustus 2013 stond ook appellante in de GBA op het uitkeringsadres ingeschreven.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de consulent jongeren van 1 oktober 2013 dat bij de beoordeling of appellante aanspraak kon maken op een toeslag naar voren was gekomen dat zij per 19 augustus 2013 was verhuisd naar het uitkeringsadres waar ook appellant al woonde, heeft een case-loadwerker van de gemeente Zwolle een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de

case-loadwerker onder meer diverse registratiesystemen geraadpleegd, op 17 oktober 2013 met een collega een huisbezoek gebracht aan de woning op het uitkeringsadres en tijdens dat huisbezoek met appellant gesproken. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in twee rapporten van 11 en 12 november 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college onder meer aanleiding geweest om bij afzonderlijke besluiten van 12 november 2013 de bijstand van appellanten met ingang van

19 augustus 2013 in te trekken, de ten aanzien van appellant over de periode van 19 augustus 2013 tot en met 30 september 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van, na verrekening, € 29,07 van hem terug te vorderen en appellante hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor het terugbetalen van die vordering. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door het college niet te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voeren als gevolg waarvan zij geen recht hadden op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.4.

Bij besluit van 5 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellanten tegen de besluiten van 12 november 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellanten voor zover dat ziet op de intrekkingsbesluiten van 12 november 2013 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep in zoverre tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten betwisten dat zij een gezamenlijke huishouding voeren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 19 augustus 2013 tot en met 12 november 2013.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

4.4.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.5.

Niet in geschil is dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.6.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.7.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bevindingen van het huisbezoek en de tijdens dat huisbezoek door appellant afgelegde verklaring een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat ook aan het tweede criterium is voldaan. Appellant heeft verklaard dat zij nu nog bij elkaar op de kamer slapen, dat zij allebei boodschappen doen en elkaars spullen gebruiken, dat zij in de koelkast geen spullen voor zichzelf hebben en gebruiken wat zij nodig hebben, dat hun was door elkaar ligt en dat zij voor elkaar spullen wassen. Tijdens het huisbezoek bleek de kamer die officieel van appellant was, niet in gebruik te zijn en lagen de persoonlijke bezittingen van appellanten door de woning verspreid.

4.8.

Appellanten voeren aan dat de rechtbank heeft miskend dat zij in bezwaar en beroep hebben verklaard dat zij wel spullen van elkaar gebruiken, maar dat het dan gaat om goedkope levensmiddelen, zoals suiker, zout, peper, koffiemelk en dergelijke, en dat ieder voor zich de duurdere zaken zoals kaas en vlees gebruikt. Anders dan appellanten stellen, wijken deze verklaringen af van wat appellant tijdens het huisbezoek heeft verklaard en kunnen deze verklaringen daarom niet worden aangemerkt als een nadere precisiering daarop. Dat appellant niet kan worden gehouden aan de verklaring die hij tijdens het huisbezoek heeft afgelegd, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt.

4.9.

Appelanten voeren verder aan dat het feit dat hun spullen door elkaar liggen, geen aanwijzing vormt voor een gezamenlijke huishouding en dat de woning op het uitkeringsadres een soort studentenhuis is, waarbij sprake is van een gezamenlijke woonkamer en aparte slaapkamers. Appellanten kunnen hierin evenmin worden gevolgd. Uit het onderzoek komt naar voren dat de woning aan het uitkeringsadres is bedoeld voor drie huurders, maar dat vanaf 29 augustus 2013 alleen appellanten gebruik maakten van de woning. De stelling dat appellanten wel samen hebben geslapen, maar een aparte slaapkamer hebben, komt niet overeen met de verklaring van appellant tijdens het huisbezoek en de feitelijke situatie zoals die tijdens het huisbezoek is aangetroffen.

4.10.

Nu appellanten een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de WWB, moeten zij als gehuwd worden aangemerkt. Appellanten konden om die reden niet langer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en appellant en appellante hadden dan ook niet afzonderlijk een recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.11.

Uit 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en Y.J. Klik en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) A. Stuut

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD