Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2016
Datum publicatie
10-05-2016
Zaaknummer
15/261 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen besluit. 1) Verleden. Wat appellant naar voren heeft gebracht bij zijn aanvraag en in de bezwaarfase, is niet aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb. 2) Uit geen van de beschikbare (medische) stukken blijkt dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid 3) Op basis van de beschikbare informatie is er geen reden is om voor de toekomst terug te komen van het besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/261 WWAJ

Datum uitspraak: 4 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

2 december 2014, 14/2996 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft wegens de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

22 juni 2015 ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Gans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1994, heeft wegens psychische klachten en hoofd-en rugpijnklachten op 8 februari 2013 bij het Uwv arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Appellant is naar aanleiding van zijn aanvraag onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 25 april 2013 vermeld dat appellants klachten samenhangen met een belaste geschiedenis in zijn kindertijd en twee

auto-ongevallen. Zijn klachten worden geduid als aanpassingsproblematiek zonder duidelijke psychopathologie in engere zin. De verzekeringsarts heeft appellants beperkingen en mogelijkheden voor het functioneren in arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 april 2013. Deze FML geldt zowel op de dag dat appellant 17 jaar is geworden, als per einde wachttijd en per datum onderzoek.

1.2.

Na arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 28 mei 2013 vastgesteld dat appellant geen recht heeft op arbeidsondersteuning of inkomensondersteuning op grond van de Wajong omdat hij meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen.

1.3.

Appellant heeft op 24 januari 2014 opnieuw een aanvraag om arbeids-en inkomensondersteuning op grond van de Wajong gedaan. Ter ondersteuning van deze aanvraag heeft hij hierbij een brief van de behandelend psychiater en de behandelend psycholoog bij PsyQ Eindhoven van 3 december 2013 en een toelichting van de re-integratie en jobcoachorganisatie RuFo te Weert van 20 januari 2014 gevoegd. In de brief van PsyQ van

3 december 2013 wordt vermeld dat appellant een PTTS heeft ten gevolge van de gezinssituatie, hetgeen is verergerd door een verkeersongeval in 2010. Mogelijk heeft hij ook ADD. In de toelichting van RuFo wordt vermeld dat de verwachting is dat appellant vanwege zijn meervoudige trauma een langdurig zorgtraject dient te volgen.

1.4.

De aanvraag van 24 januari 2014 is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 28 mei 2013. In verband met deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv het dossier bestudeerd en in zijn rapport van 28 februari 2014

te kennen gegeven dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn op basis waarvan tot herziening van het besluit van 28 mei 2013 overgegaan zou moeten worden. De naar aanleiding van appellants eerste aanvraag vastgestelde beperkingen zijn onveranderd aanwezig.

1.5.

Bij besluit van 3 maart 2014 heeft het Uwv besloten niet terug te komen op het besluit van 28 mei 2013 omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die er toe leiden dat dit besluit onjuist is. Daarbij is er geen gewijzigde medische toestand nadien welke grond zou kunnen zijn voor een herbeoordeling.

1.6.

Naar aanleiding van appellants bezwaar tegen dit besluit hebben een arts bezwaar en beroep en een verzekeringsarts bezwaar en beroep in hun rapport van 21 juli 2014 vermeld dat de inlichtingen die in verband met appellants eerste aanvraag door de huisartsenpraktijk zijn verstrekt aan de verzekeringsarts grotendeels overeen komen met de inlichtingen die nu door PsyQ zijn verstrekt. De diagnose PTSS verandert appellants klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen niet. In dit rapport is voorts vermeld dat tijdens de hoorzitting is besproken dat de rugklachten van appellant indertijd zijn geduid als spierspanningsklachten en dat bij beeldvormend onderzoek nooit afwijkingen aan de rug werden geobjectiveerd.

1.7.

Bij besluit van 22 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 maart 2014 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant verwijst in hoger beroep naar hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Hij betoogt dat zijn aanvraag een nieuwe aanvraag betreft en geen herhaalde aanvraag en dat hij niet heeft gevraagd om herziening van het oorspronkelijke besluit. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat het besluit van 28 mei 2013 onjuist is en op onvoldoende informatie is gebaseerd. Appellant meent dat er wel nieuwe of veranderde omstandigheden zijn die dateren van na het besluit van 28 mei 2013 en die ook niet eerder bekend waren, namelijk een nieuwe diagnose, nieuwe rapporten en een behandeling. Het medisch onderzoek door de neuroloog was ten tijde van het besluit van 28 mei 2013 nog niet afgerond en de psychologische behandeling was toen nog niet opgestart. Zijn medische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn nooit correct beoordeeld of vastgesteld. Hij betoogt dat hij meer beperkingen heeft wat betreft persoonlijk en sociaal functioneren en ook beperkingen heeft wat betreft dynamische handelingen en statische houdingen. Het Uwv heeft door het ontbreken van informatie niet kunnen vaststellen dat er nooit objectiveerbare afwijkingen aan de rug zijn vastgesteld. Hij wijst erop dat hij niet alleen zijn carrière als profvoetballer heeft moeten afbreken door zijn klachten, maar dat hij ook zijn studie heeft moeten afbreken.

Appellant acht het verder onzorgvuldig dat hij in het kader van zijn aanvraag van 24 januari 2014 niet is uitgenodigd voor een gesprek met een verzekeringsarts of een arbeidsdeskundige. Ten onrechte heeft er geen arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Voorts acht hij het onzorgvuldig dat het Uwv zijn jobcoach niet heeft uitgenodigd voor een gesprek. Miskend is dat hij feitelijk niet in staat is gebleken structureel tot de arbeidsmarkt toe te treden. Hij stelt zich op het standpunt dat hij afhankelijk is van medicatie en verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar rapporten van de neuroloog van 7 december 2012 en 28 november 2012.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In het rapport van

22 juni 2015 geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen dat er geen toename van beperkingen is op de datum van de tweede aanvraag ten opzichte van de eerste aanvraag en dat het oorspronkelijke besluit niet onjuist is. De beperkingen die zijn opgenomen in de FML van 25 april 2013 volstaan nog steeds.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Uit de uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:2015:1, blijkt dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Uit de gronden van appellant valt af te leiden dat zijn aanvraag om hem alsnog in aanmerking te brengen voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wajong niet alleen een verzoek om herziening van het besluit van 28 mei 2013 is, maar ook een aanvraag voor ondersteuning in verband met toeneming van zijn beperkingen omvat, als ook het verzoek om voor de toekomst terug te komen van dit, volgens appellant, onjuiste besluit. Ter ondersteuning van zijn verzoek om zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen heeft appellant de in 3.1 genoemde rapporten van PsyQ en RuFo aan het Uwv doen toekomen.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld en afdoende gemotiveerd dat wat appellant naar voren heeft gebracht bij zijn aanvraag en in de bezwaarfase, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd. Onder verwijzing naar de uitspraak van 5 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9900, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat een nader gestelde diagnose, die is gebaseerd op reeds eerder bekende medische onderzoeksgegevens, niet als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van die bepaling kunnen worden aangemerkt. In het oorspronkelijke besluit is rekening gehouden met klachten die verband houden met de later, in 2013, gestelde diagnose PTSS. In de FML van 25 april 2013 heeft de verzekeringsarts beperkingen opgenomen in verband met appellants psychische klachten. Een later ingezette behandeling of later uitgebrachte rapporten kunnen niet op zichzelf als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt. Gestelde nieuwe feiten of omstandigheden dienen betrekking te hebben op de perioden of data in geding. Voorts heeft appellant bij zijn aanvraag van 28 januari 2014 noch in bezwaar nieuw gebleken feiten en of veranderde omstandigheden met betrekking tot zijn rug- en hoofdpijnklachten naar voren gebracht. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat hij ook ten aanzien van deze klachten geen nieuwe feiten en of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Appellant heeft evenmin zijn grond dat thans is gebleken dat hij niet in staat is tot reguliere arbeid omdat hij steeds uitvalt niet onderbouwd met stukken. De enkele stelling dat hij niet in staat is gebleken duurzaam loonvormende arbeid te verrichten is niet voldoende om als nieuw feit in deze zin aan te merken. Ook de bij zijn aanvraag gevoegde toelichting van zijn jobcoach van RuFo maakt hier geen melding van. Op grond van de gegevens die de jobcoach wel in zijn toelichting heeft vermeld hoefde de verzekeringsarts geen aanleiding te zien nadere inlichtingen bij hem te vragen.

4.3.

Voor zover de aanvraag eveneens een melding betreft van toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar, wordt overwogen dat de verzekeringsarts in het rapport van 28 februari 2014 te kennen heeft gegeven dat appellantes beperkingen onveranderd aanwezig waren. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport 22 juni 2015 te kennen gegeven dat uit geen van de beschikbare (medische) stukken blijkt dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Er wordt geen aanleiding gezien voor twijfel aan dit standpunt.

4.4.

Omdat het Uwv in het bestreden besluit heeft verzuimd te beoordelen of hetgeen door appellant is aangevoerd ertoe kan leiden dat hij voor de toekomst aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Wajong, is dit besluit niet deugdelijk gemotiveerd, zodat dit besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Bezien zal worden of onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb het bestreden besluit in stand kan worden gelaten.

4.5.

Voor zover de aanvraag van appellant een aanvraag voor inkomensondersteuning voor de toekomst betreft heeft het Uwv zich met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 juni 2015 op het standpunt gesteld dat in de FML van 25 april 2013 forse beperkingen zijn vastgesteld betreffende het persoonlijk en sociaal functioneren en dat op grond van de beschikbare medische informatie geen aanleiding is om aanvullende beperkingen op te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarmee inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er op basis van de beschikbare informatie geen reden is om voor de toekomst terug te komen van het besluit van 28 mei 2013. De informatie die appellant uiterlijk in de bezwaarfase heeft overgelegd bevat geen medisch objectiveerbare feiten en omstandigheden die zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum en geven geen aanleiding tot een ander, voor hem gunstiger besluit dan het oorspronkelijke besluit. Dit geldt ook voor de rugklachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat de rugklachten zijn geduid als spierspanningsklachten en dat er geen objectiveerbare afwijkingen zijn gevonden voor zijn rugklachten. Nu niet is gebleken van objectiveerbare afwijkingen met betrekking tot zijn rugklachten en ook niet is gebleken van een behandeling zijn er geen aanknopingspunten voor de conclusie dat onvoldoende met zijn rugklachten rekening is gehouden. Nu appellant geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die, hoewel geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, aanleiding moesten geven tot nadere onderzoek door het Uwv is het niet onzorgvuldig geweest dat appellant niet is uitgenodigd op een spreekuur van de verzekeringsarts of en arbeidskundige.

4.6.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de aanvraag van appellant ook met betrekking tot de aspecten die niet door het Uwv zijn beoordeeld, had moeten worden afgewezen door het Uwv. Omdat appellant hierdoor niet wordt benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 van die wet worden gepasseerd.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden.

6. Er bestaat geen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2016.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) V. van Rij

AP