Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1608

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
15/1090 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:375, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op een vervolguitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0485
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1090 WIA

Datum uitspraak: 19 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2015, 14/5536 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2016. Appellante en mr. Kuit zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft vanaf 1998 gewerkt als lerares Nederlands in het voortgezet onderwijs, laatstelijk voor 16 uren per week. Op 21 mei 2012 is zij (opnieuw) uitgevallen met psychische klachten. Op 1 augustus 2012 is zij ziek uit dienst gegaan en vanaf die datum heeft zij een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen.

1.2.

Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 maart 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 19 mei 2014 recht heeft op een vervolguitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 43,18%.

1.3.

Bij besluit van 30 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 maart 2014 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv een rapport van 29 juli 2014 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van 29 juli 2014 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht en dat appellantes beperkingen voor het verrichten van arbeid per 19 mei 2014 correct zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 februari 2014. Niet is gebleken dat de belasting in de voorgehouden functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt. Het verlies aan verdienvermogen is ruim 43%. Er is geen recht op een IVA-uitkering ontstaan, aangezien appellante meer dan 20% arbeidsgeschikt is.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat het Uwv ten onrechte heeft vastgesteld dat zij geen recht op een IVA-uitkering heeft. Daartoe heeft zij aangevoerd dat haar beperkingen als gevolg van psychische klachten en klachten aan rechterarm en -been niet juist zijn vastgesteld. Verbetering in de toekomst is uitgesloten. Zij is blijvend ongeschikt om arbeid te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid per 19 mei 2014 zorgvuldig is verricht. De verzekeringsartsen hebben het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur gezien. De overgelegde medische informatie heeft hij meegewogen bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.

4.1.2.

Er is geen grond voor het oordeel dat in de FML van 10 februari 2014 de beperkingen van appellante niet juist zijn vastgelegd. Daartoe wordt overwogen dat de verzekeringsarts op inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd dat de beperkingen die in de FML zijn vastgelegd, terug te voeren zijn op de psychische klachten en de ulnaris- en heupproblematiek van appellante. Hij heeft uitgaande van de standaard “verminderde arbeidsduur” toegelicht dat een urenbeperking in passende arbeid niet aan de orde is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd gesteld dat de beschikbare gegevens geen verdergaande beperkingen rechtvaardigen. Een mogelijke diagnose borderline leidt niet tot aanname van meer beperkingen in de FML, omdat op basis daarvan geen beperkingen worden vastgelegd in een FML. Het gaat in de FML om beperkingen voortvloeiend uit geobjectiveerde klachten.

4.1.3.

De verzekeringsarts heeft met de klachten van appellante rekening gehouden. Appellante heeft met de persoonlijkheidsstoornis borderline kunnen werken en voldoet niet aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid, zoals vastgesteld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Zij is evenmin duurzaam arbeidsongeschikt aangezien er volgens het psychodiagnostisch onderzoek van psycholoog/systeemtherapeut L. Bouwmeester nog behandelmogelijkheden zijn. Verbetering van de belastbaarheid is te verwachten, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.1.4.

Nu appellante in beroep en in hoger beroep haar standpunt dat zij recht heeft op een IVA-uitkering niet nader heeft onderbouwd met medische gegevens, ziet de Raad geen aanleiding het verzekeringsgeneeskundig standpunt voor onjuist te houden.

4.2.

Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt als volgt overwogen. Door appellante zijn geen arbeidskundige gronden aangevoerd. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft een arbeidsdeskundige verifieerbaar en inzichtelijk gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellante. Er bestaat geen aanleiding de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden.

4.3.

Uit 4.1.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van

L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2016.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) L.L. van den IJssel

AP