Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1604

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
09-05-2016
Zaaknummer
15/5011 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. financiële transacties verricht. Op geld waardeerbaar inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5011 WWB

Datum uitspraak: 26 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
5 juni 2015, 15/1113 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Guman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Voor appellante is verschenen mr. Guman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft, voor zover van belang, gedurende de perioden van 19 augustus 2002 tot en met 21 december 2009, van 5 juli 2010 tot en met 20 maart 2012 en vanaf 7 mei 2012, bijstand naar de norm voor een alleenstaande ontvangen, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van informatie van de Financial Intelligence Unit-Nederland dat appellante in de maanden september 2009, oktober 2009, juli 2010, augustus 2010, juni 2011, augustus 2011, november 2011, augustus 2013, oktober 2013, november 2013 en december 2013 (maanden in geding) in totaal zeventien transacties heeft uitgevoerd tot een bedrag van

€ 24.945,-, heeft een sociaal rechercheur van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is appellante op 9 september 2014 gehoord. Tevens is de dochter van appellante op 6 oktober 2014 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport uitkeringsfraude van 9 oktober 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

28 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 januari 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 1 september 2009 tot en met 31 december 2013 te herzien (lees: de bijstand over de maanden in geding in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.464,59 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college, zoals nader ter zitting bij de Raad toegelicht, ten grondslag gelegd dat appellante in de maanden in geding financiële transacties heeft verricht waarmee zij inkomen heeft verworven of heeft kunnen verwerven. Appellante heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door deze activiteiten niet bij het college te melden. Omdat appellante geen boekhouding heeft bijgehouden van de uit haar activiteiten verkregen inkomsten, kan het recht op bijstand over de maanden in geding niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat op naam van appellante in de maanden in geding in totaal zeventien transacties hebben plaatsgevonden tot een bedrag van € 24.945,-.

4.2.

Gelet op het grote aantal transacties en de grote bedragen die daarmee gemoeid waren, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden. De enkele stelling van appellante dat geen sprake is van inkomsten en dat zij met de transacties geen geld heeft verdiend, kan appellante niet baten. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee deze worden verricht en ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat haar activiteiten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Door hiervan geen melding te maken heeft appellante in de maanden in geding de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.4.

Appellante is daar niet in geslaagd. Appellante heeft slechts gesteld dat het door haar overgemaakte geld niet van haar was en dat zij met de transacties niets heeft verdiend. Nog daargelaten dat appellante op 9 september 2014 wisselende verklaringen heeft afgelegd over de vraag van wie het door haar overgemaakte geld was, heeft appellante geen verifieerbare gegevens overgelegd waaruit de omvang van de genoten inkomsten of de juistheid van haar stelling blijkt. Zoals eerder overwogen (uitspraken van 24 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH4362 en ECLI:NL:CRVB:2009:BH4364) dienen de gevolgen hiervan voor rekening en risico van appellante te blijven. Appellante heeft de bewijsnood over zichzelf afgeroepen door de transacties niet bij het college te melden.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) J.L. Meijer

HD