Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
14/5780 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering nabestaandenuitkering omdat de echtgenoot van appellante op de dag van zijn overlijden niet (vrijwillig) verzekerd was voor de ANW. Betreffende de weigering van de Svb de echtgenoot van appellante postuum te laten deelnemen aan de vrijwillige verzekering voor de ANW, moet worden vastgesteld dat de aanvraag daarvoor te laat is ingediend. Door appellante is niets aangevoerd dat zou kunnen meebrengen dat de niet-tijdige aanvraag om deelname aan de vrijwillige verzekering verschoonbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5780 ANW

Datum uitspraak: 29 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 september 2014, 14/878 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2016. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L. Metz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante woont in Marokko. Haar echtgenoot heeft in Nederland gewoond en is [in]

2013 in Marokko overleden. De echtgenoot van appellante ontving vanaf 1990 tot zijn overlijden een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2.

Naar aanleiding van het overlijden van haar echtgenoot heeft appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd.

1.3.

Bij besluit van 3 december 2013 heeft de Svb de aanvraag om een nabestaandenuitkering afgewezen, omdat de echtgenoot van appellante op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW.

1.4.

In bezwaar tegen dit besluit heeft appellante aangevoerd dat zij als weduwe van haar overleden echtgenoot recht heeft op een ANW-uitkering. Daaraan heeft zij toegevoegd dat zij bereid is premie voor de vrijwillige verzekering te betalen om recht te krijgen op dit pensioen.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 13 januari 2014 (bestreden besluit 1) is het bezwaar tegen het besluit van 3 december 2013 ongegrond verklaard.

1.6.

Bij besluit van 24 januari 2014 heeft de Svb de aanvraag om postume deelname aan de vrijwillige verzekering voor de ANW afgewezen.

1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 6 mei 2014 (bestreden besluit 2) is het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2014 ongegrond verklaard. Ter motivering wordt opgemerkt dat de verplichte verzekering van de echtgenoot van appellante is geëindigd op 1 januari 2000. De echtgenoot was in aansluiting daarop bevoegd de verzekering op vrijwillige basis voort te zetten, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Pas na zijn overlijden is door appellante namens haar echtgenoot een verzoek ingediend om postuum deel te nemen aan de vrijwillige verzekering. Onder verwijzing naar de artikelen 63a en 63b van de ANW wordt geconcludeerd dat de echtgenoot van appellante niet postuum mag deelnemen aan de vrijwillige verzekering.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij recht heeft op een nabestaandenuitkering.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering omdat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Verder is in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd de echtgenoot van appellante postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW.

4.2.

Volgens artikel 13 van de ANW is verzekerd krachtens die wet degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, maar ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Nu de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden in Marokko woonde en niet meer in Nederland werkte, was hij toen op grond van deze bepaling niet verzekerd voor de ANW.

4.3.

Voor zover de echtgenoot van appellante op grond van zijn WAO-uitkering tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen op grond van het met ingang van die datum vervallen artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, bestond voor hem de mogelijkheid zich na die datum vrijwillig te verzekeren. Vast staat dat de echtgenoot van appellante van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Dit betekent dat de echtgenoot van appellante op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW, zodat in zoverre geen aanspraak bestaat op een nabestaandenuitkering ingevolge die wet.

4.4.

Op grond van gegevens van het Caisse Nationale de Sécurité Sociale staat verder vast dat de echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de Marokkaanse wetgeving, zodat ook op grond van artikel 13a van de ANW in combinatie met artikel 22 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko geen aanspraak op een nabestaandenuitkering bestaat.

4.5.

Betreffende de weigering van de Svb de echtgenoot van appellante postuum te laten deelnemen aan de vrijwillige verzekering voor de ANW, moet worden vastgesteld dat de aanvraag daarvoor te laat is ingediend. Door appellante is niets aangevoerd dat zou kunnen meebrengen dat de niet-tijdige aanvraag om deelname aan de vrijwillige verzekering verschoonbaar is.

4.6.

Het onder 4.1 tot en met 4.5 overwogene leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2016.

(getekend) H.J. Simon

(getekend) I.G.A.H. Toma

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden ( Postbus 20303, 2500 ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

UM

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep confirme la décision attaquée.

Par conséquent, décidée par M. le maître H.J. Simon en présence de le maître I.G.A.H. Toma en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 29 avril 2016.

Les parties disposent d’un délai de six semaines à compter de la date d’envoi pour introduire un pourvoi en cassation contre cette décision devant la Cour de Cassation des Pays-Bas : Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, NL 2500 EH ’s-Gravenhage) au titre de la violation ou de la mauvaise application des dispositions concernant la notion de groupe d’assurés.