Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1568

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
14/5674 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was. Terecht oordeel rechtbank dat het Uwv de medische beperkingen van appellante niet heeft onderschat. Appellante heeft met de in hoger beroep overgelegde rapporten, geen onderbouwd medisch oordeel gegeven dat de Raad doet twijfelen aan de juistheid van het verzekeringsgeneeskundig standpunt van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0483
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5674 WIA

Datum uitspraak: 22 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

19 september 2014, 13/4728 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M.H. Geubbels hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is door appellante een rapport van een psycholoog van 29 oktober 2014 en een rapport en aanvullend rapport van haar medisch adviseur van 23 december 2015 en 25 januari 2016 ingestuurd.

Het Uwv heeft hierop gereageerd met rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 maart 2015 en 2 februari 2016.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2016. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. Geubbels. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als kassière bij een supermarkt voor gemiddeld

twintig uur per week. Vanuit de situatie dat zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft zij zich op 20 juni 2011 met diverse lichamelijke klachten en nadien tevens met psychische klachten ziek gemeld bij het Uwv.

1.2.

In februari 2013 heeft zij een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 14 mei 2013 appellante meegedeeld dat voor haar per 17 juni 2013 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij per 17 juni 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 mei 2013. Daartoe heeft zij nadere informatie van de behandelende sector overgelegd. Mede naar aanleiding daarvan heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep de eerder opgemaakte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast en neergelegd in een nieuwe FML van 8 augustus 2013. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien nieuwe voorbeeldfuncties te selecteren. Op basis van een nieuwe schatting heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat appellante onveranderd voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 26 september 2013 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar medische beperkingen in bezwaar en beroep door de verzekeringsarts niet juist zijn vastgesteld. Op grond van een ernstige depressie was zij ten tijde in geding meer beperkt op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij rapporten ingediend van haar psycholoog S. Zonderland en van haar medisch adviseur mr. G.J. Kruithof. De ernstige beperkingen zijn het gevolg van de combinatie lichamelijke klachten, psychische klachten en medicijngebruik. Appellante voert verder aan dat onvoldoende rekening is gehouden met haar medicijngebruik. Tot slot heeft appellante naar voren gebracht dat op basis van de aanwezige beperkingen een verdere urenbeperking aangenomen dient te worden, althans minimaal een urenbeperking van 4 uur per dag.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Alle door appellante naar voren gebrachte klachten, onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector zijn op deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de beoordeling door de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep. Terecht heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid heeft onderschat. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft, blijkens zijn rapport van 19 april 2013, na dossierstudie en eigen onderzoek van appellante op grond van de ziekte van Crohn met mogelijk gerelateerde oogproblematiek en rugklachten en tevens op grond van het feit dat zij als gevolg van pijn in rug en rechter hand slecht slaapt, appellante beperkt belastbaar geacht en deze beperkingen vastgelegd in een FML. Appellante is aangewezen op rugsparend werk, beperkt in lopen, staan en zitten, beperkt wat betreft knijpkracht in rechter hand, heeft een vertraagde repetitieve functie van de rechter hand en is in verband met het anamnestisch energietekort belastbaar voor minimaal halve dagen werken en minimaal ongeveer twintig uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, blijkens zijn rapport van 7 augustus 2013, op grond van dossieronderzoek, bestudering van het bezwaarschrift, de in bezwaar overgelegde informatie van de behandelend maag-darm-leverarts, de informatie van de huisarts van appellante, reden gezien om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Hij heeft de in de FML vastgestelde beperkingen in de rubrieken 3 (aanpassingen aan fysieke omgevingseisen), 4 (dynamische houdingen), en 5 (statische houdingen) wat aangescherpt dan wel aangevuld en deze vervolgens neergelegd in de FML van 8 augustus 2013. In tegenstelling tot wat appellante heeft aangevoerd, stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport vast dat de primaire verzekeringsarts wel degelijk bij zijn onderzoek aandacht heeft besteed aan de door appellante geclaimde depressieve klachten. Bij psychisch onderzoek heeft de primaire verzekeringsarts evenwel geen aanwijzingen voor een depressie gevonden. Zo ook blijkt de huisarts in zijn op 16 april 2013 ontvangen schriftelijke reactie geen melding te kunnen doen van actuele psychische problematiek. De laatste episode dienaangaande dateert van 2007. Dat de nadelige beslissing voor appellante psychische klachten oplevert betekent evenwel niet, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat deze klachten als psychische stoornis en dus als ziekte kan worden geduid met duurzame arbeidsbeperkingen tot gevolg. Het beleid van de huisarts van 28 mei 2013 is hier ook consistent mee. In zijn rapport van 11 januari 2014 is de verzekeringsarts bezwaar en beroep vervolgens nog ingegaan op de in beroep overgelegde informatie van de behandelend sector. Op grond van het vorenstaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een voldoende onderbouwing gegeven voor de conclusie dat er geen aanleiding is om zijn ingenomen standpunt wat betreft de medische beperkingen van appellante te herzien. Desgevraagd is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullend rapport van 27 mei 2014 nog ingegaan op het standpunt van een verzekeringsarts zoals neergelegd in een rapport van 29 oktober 2013 met betrekking tot de claim van appellante toegenomen arbeidsongeschikt te zijn per 17 juli 2013. Deze verzekeringsarts acht appellante beperkt voor arbeid in hoog tempo of waarbij veel concentratie of alertheid nodig is, omdat appellante bij onderzoek suffig overkwam, mogelijk ten gevolge van medicijngebruik. Daarvoor bestaat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen strikte medische noodzaak en deze situatie deed zich niet voor ten tijde in geding. Hij verwijst daarbij naar het onderzoek van de primaire verzekeringsarts van 19 april 2013, waarin staat vermeld dat appellante toen op adequate wijze reageerde en er wat betreft de aandacht, concentratie en overige cognitieve functies geen bijzonderheden waarneembaar waren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep benadrukt dat het rapport van 29 oktober 2013 in feite een extra onderbouwing geeft van zijn standpunt dat geen sprake is van psychische beperkingen. Immers ook bij onderzoek op 29 oktober 2013 zijn geen aanwijzingen gevonden voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsstoornis.

4.2.

Tegenover het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert, heeft appellante met de in hoger beroep overgelegde rapporten van psycholoog S. Zonderland van 29 oktober 2014 en van haar medisch adviseur G. J. Kruithof van 23 december 2015 en

25 januari 2016 geen onderbouwd medisch oordeel gesteld dat de Raad doet twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in zijn rapport van 17 maart 2015 ingegaan op het rapport van de psycholoog Zonderland die door de stress rondom de WIA-uitkering een forse verergering constateert en de diagnose “matige depressie” stelt. Hij heeft nogmaals gemotiveerd toegelicht dat ten tijde in geding geen aanwijzingen waren voor een depressie. Voorts kan aan de in de rapporten van medisch adviseur Kruithof getrokken conclusies niet die betekenis worden gehecht die appellante hieraan toekent. In zijn rapport van 23 december 2015 heeft Kruithof vermeld dat zijn bevindingen bij onderzoek op 11 december 2015 in essentie niet afwijken van de onderzoeksbevindingen, zoals omschreven door de verzekeringsarts in zijn rapport op 19 april 2013 en door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 7 augustus 2013. Desondanks is Kruithof van mening dat er vanaf 28 maart 2013 aanleiding is om appellante meer beperkt te achten met betrekking tot het persoonlijk functioneren, inhoudende dat appellante is aangewezen op arbeid waarbij geen hoog handelingstempo is vereist in verband met verminderde alertheid. Verder is appellante aangewezen op arbeid waarbij geen hoge concentratie of alertheid is vereist ten gevolgen van de verminderde alertheid en geeft aanleiding om appellante tevens beperkt te achten met betrekking tot gebruik van de auto. Daarnaast is Kruithof van mening dat appellante ten opzichte van het belastbaarheidspatroon van 8 augustus 2013 in hogere mate beperkt is met betrekking tot gebruik van het toetsenbord, buigen enz. Terecht wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

2 februari 2016 erop dat Kruithof op psychisch gebied geen evidente cognitieve stoornissen heeft waargenomen en dat Kruithof een verminderde alertheid niet heeft kunnen objectiveren. Zo ook is een objectieve medische onderbouwing voor de door Kruithof gegeven verdergaande beperkingen met betrekking tot gebruik van toetsenbord en dergelijke ten tijde in geding niet te vinden in diens rapport en aanvullend rapport van

25 januari 2016.

4.3.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML van 8 augustus 2013, bestaat evenmin aanleiding voor een ander oordeel over de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit dan de rechtbank heeft gegeven. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van 23 september 2013 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. In dit rapport zijn nieuwe functies geselecteerd. Voorts is in dat rapport inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat de genoemde functies de belastbaarheid van appellante, ook wat betreft het hand-vingergebruik, niet overschrijden. De Raad ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Daarbij wordt in het midden gelaten of de functie van routechauffeur met

SBC-code 282102 in verband met medicijngebruik geschikt is. Het eventueel vervallen van die functie zou namelijk niet resulteren in een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

H. van Leeuwen als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) L.H.J. van Haarlem

AP