Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1560

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
15-1474 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting naar een functie uit het LFNP. De transponeringstabel ontbeert het karakter van een algemeen verbindend voorschrift, maar dat neemt niet weg dat de tabel als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling vaststelling LFNP is geschied of anderszins tot een onhoudbaar resultaat heeft geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1474 AW

Datum uitspraak: 28 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 januari 2015, 14/4849 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.B. Boon-Teensma hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het LFNP is vastgesteld op de functie van Onderzoeker, salarisschaal 8.

1.3.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef voor appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie Gespecialiseerd Medewerker B, met als vakgebied Gespecialiseerde ondersteuning en werkterrein Veiligheid & Integriteit, gewaardeerd in salarisschaal 8. Bij besluit van 12 juni 2014 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van die uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank de bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling), de transponeringstabel, ten onrechte heeft aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift en dat deze niet als grondslag voor het bestreden besluit had mogen dienen. Hiervoor wordt verwezen naar de onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550. Het overwogene in die uitspraak in aanmerking genomen, stelt appellant op zichzelf beschouwd terecht dat de transponeringstabel het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, maar dat neemt niet weg dat de tabel als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende. Verder kan de politieambtenaar zich niet beroepen op feiten of omstandigheden die hij reeds in het kader van de vaststelling van de uitgangspositie naar voren had kunnen brengen.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat hij ten onrechte niet is gematcht in het domein Uitvoering, vakgebied Operationeel Specialismen, in de functie van Operationeel Specialist A. De kern van zijn (korps)functie van (veiligheids)onderzoeker bestaat uit het in opdracht en onder regie van (thans) de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst uitvoeren van veiligheidsonderzoeken op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 en de Wet veiligheidsonderzoeken. Daarmee levert appellant naar zijn zeggen een directe bijdrage aan operationele politietaken.

4.3.1.

Volgens de beleidsregel Instructie organieke matching (Stcrt. 2012, nr. 10411, zoals nadien gewijzigd, Stcrt. 2013, nr. 12776), voor zover hier van belang, gelden voor de domeinen Uitvoering en Ondersteuning de volgende definities:

“Het domein Uitvoering draagt in de zin van het LFNP bij aan één van de vakgebieden vallend onder dit domein, te weten: Beveiliging, G(ebieds) G(ebonden) P(olitie), Informantenrunner, Intelligence, Interventie, Meldkamer, Observatie, Tactische Opsporing, Forensische Opsporing, Luchtvaart, Intake & Service en Operationeel Specialismen. Het domein Uitvoering levert een directe bijdrage aan operationele politietaken, en staat daarmee in rechtstreeks verband met de handhaving van de rechtsorde (criminaliteitsbestrijding), de openbare orde en veiligheid en/of leefbaarheid in de samenleving.

Het domein Ondersteuning draagt in de zin van het LFNP bij aan één van de vakgebieden vallend onder dit domein, te weten: Bedrijfsvoering Specialismen, Gespecialiseerde Ondersteuning, Administratie en Secretariaat, Scheepvaart, Techniek, H(uisvesting) S(ervices) en M(iddelen), Onderzoek & Kennisontwikkeling en Docenten. Het domein Ondersteuning levert een bijdrage aan een effectief en efficiënt werkende politieorganisatie, terwijl tegelijkertijd geen of een beperkte directe bijdrage wordt geleverd aan operationele politietaken en daarmee niet in rechtstreeks of onvoldoende verband staat met de handhaving van de rechtsorde (criminaliteitsbestrijding), de openbare orde en veiligheid en/of leefbaarheid in de samenleving.”

4.3.2.

In de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding), pagina 53, is onder het kopje “Integriteit & Veiligheid (BVI) en soortgelijke benamingen”, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Korpsfunctiebeschrijvingen waaruit blijkt dat deze uitsluitend gericht is (lees: zijn) op interne onderzoeken c.q. disciplinaire onderzoeken leveren geen of een beperkte directe bijdrage aan operationele politietaken, waardoor het domein Ondersteuning in deze het meest vergelijkbaar is. […] Korpsfunctiebeschrijvingen met uitsluitend werkzaamheden met betrekking tot interne onderzoeken c.q. disciplinaire onderzoeken richten zich uitsluitend op de bedrijfsvoering, namelijk het leveren van een bijdrage aan een effectief en efficiënt werkende politieorganisatie waardoor indeling in het domein Ondersteuning dient plaats te vinden als zijnde het meest vergelijkbare domein. De vakgebieden die hiervoor vervolgens in aanmerking komen zijn Bedrijfsvoering Specialismen en Gespecialiseerde Ondersteuning met toevoeging van het bij deze vakgebieden behorende werkterrein Veiligheid & Integriteit. […] Indien de inhoud van de korpsfunctiebeschrijvingen gericht is op zowel interne onderzoeken c.q. disciplinaire onderzoeken als op het uitvoeren van strafrechtelijke onderzoeken contra medewerkers werkzaam bij de politie, is het domein Uitvoering het meest vergelijkbaar. Dat sprake is van (ook) strafrechtelijke onderzoeken gericht op medewerkers werkzaam bij de politie rechtvaardigt immers indeling in het domein Uitvoering als zijnde het meest vergelijkbare, omdat in dat geval sprake is van criminaliteitsbestrijding hetgeen onmiskenbaar een directe bijdrage levert aan operationele politietaken.”

4.4.

De functie van Onderzoeker is blijkens de korpsfunctiebeschrijving gericht op het zelfstandig afwikkelen van veiligheids- en antecedentenonderzoeken en het geven van advies en voorlichting, terwijl voorts geen sprake is van het uitvoeren van strafrechtelijke onderzoeken contra medewerkers werkzaam bij de politie als bedoeld in de Handleiding. Niet kan worden staande gehouden dat met deze werkzaamheden, die een ondersteunend karakter hebben, een directe bijdrage wordt geleverd aan operationele politietaken als bedoeld in de Handleiding.

4.5.

De conclusie is dat appellant met zijn betoog niet aannemelijk heeft gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins tot een onhoudbaar resultaat heeft geleid. De enkele stelling dat een andere uitkomst, zijnde de door appellant gewenste functie van Operationeel Specialist A, ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende.

4.6.1.

Voor zover appellant betoogt dat zijn beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Regeling ten onrechte is verworpen, slaagt dit betoog evenmin. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie in de zin van deze bepaling.

4.6.2.

Dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie is inherent aan de (door de regelgever) bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht en is ook verklaarbaar uit het gegeven dat de werkzaamheden binnen verschillende politieregio’s worden ondergebracht in één nieuw landelijk functiegebouw. Voor zover appellant zich beroept op een verschraling van zijn taken en verantwoordelijkheden leidt dit niet tot een ander oordeel. Een eventuele verschraling van het takenpakket van een betrokkene kan niet worden beschouwd als een onbedoelde onbillijke uitwerking van de Regeling. De Raad verwijst naar de meergenoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550.

4.6.3.

De positie van appellant in de op handen zijnde reorganisatie heeft verder geen betrekking op de overgang naar een functie uit het LFNP en dient daarom bij de beoordeling of er toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule geen rol te spelen (vergelijk de uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4161).

4.6.4.

Voor zover appellant zich in het kader van zijn beroep op de hardheidsclausule op het standpunt stelt dat hij financieel nadeel lijdt nu hij als gevolg van het bestreden besluit periodieken voor Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden (OVW) misloopt, treft dit betoog geen doel. De toekenning van OVW-periodieken heeft betrekking op de waardering van de LFNP-functie. Deze waarderingskwestie speelt echter geen rol in het kader van de toekenning van en overgang naar een functie uit het LFNP. De omstandigheid dat aan de LFNP-functie niet het door appellant gewenste aantal OVW-punten is toegekend, kan dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep op de hardheidsclausule.

4.7.

Appellant heeft tot slot een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft echter niet aan de hand van concrete gegevens onderbouwd dat sprake is van, op de rechtens relevante aspecten, gelijke gevallen. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in dit verband heeft overwogen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt dus evenmin.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) A. Mansourova

HD