Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1555

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
15-1284 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing uit functie. Toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant niet functioneerde en geen draagvlak meer genoot. Uit artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 17, vijfde lid, van het AMAR vloeit voort dat een besluit tot ontheffing uit een functie niet tevens en tegelijkertijd toewijzing van een andere functie moet inhouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1284 MAW

Datum uitspraak: 28 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2015, 14/8316 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. A.J. Verdonk en majoor A.S. de Waard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant, die destijds de rang luitenant-kolonel had, is met ingang van 1 april 2013 de functie toegewezen van [functie] bij [het onderdeel], standplaats [Z.].

1.2.

Na een verzoek om een teambuilding te faciliteren voor het team van appellant en een gesprek met de [Commandant van het onderdeel] en appellant op 20 november 2013, heeft de teamcoach op 28 november 2013 de vier stafleden van het team van appellant geïnterviewd. Na deze interviews heeft de teamcoach bericht dat hij zijn beeld over de teamsituatie heeft bijgesteld omdat hem is gebleken dat er volgens deze vier stafleden een unanieme en onherstelbare vertrouwensbreuk is.

1.3.

Bij brief van 10 december 2013 heeft de [Commandant van het onderdeel] het voorstel gedaan om appellant te ontheffen uit zijn functie omdat hij geen draagvlak meer heeft bij zowel zijn eigen medewerkers als de collegae met wie hij frequent contact heeft bij de staven [het onderdeel], [staven A en B].

1.4.

Bij brief van 18 december 2013 heeft appellant zijn zienswijze gegeven op dit voorstel. Op 13 januari 2014 heeft appellant een gesprek gehad met de stafofficier functietoewijzing over het voorstel tot ontheffing.

1.5.

Bij besluit van 18 februari 2014 heeft de Commandant Landstrijdkrachten appellant op grond van artikel 17, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) per 1 april 2014 ontheven uit zijn functie omdat er onvoldoende draagvlak is voor zijn functioneren als [functie].

1.6.

Bij besluit van 29 april 2014 is appellant met ingang van 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 geplaatst op de verzamelarbeidsplaats “zwevend”.

1.7.

Bij besluit van 26 juni 2014 is appellant met ingang van 1 juli 2014 aangewezen als herplaatsingskandidaat in de zin van het Sociaal Beleidskader Defensie 2012-2016.

1.8.

Bij besluit van 23 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2014 ongegrond verklaard.

1.9.

Appellant heeft inmiddels de dienst bij Defensie verlaten en een betrekking elders aanvaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat de minister toereikend heeft gemotiveerd waarom ontheffing van appellant uit zijn functie noodzakelijk was. In het licht van het dienstbelang heeft verweerder in redelijkheid de afweging kunnen maken om ook zonder verslaglegging en nader functioneringsgesprek appellant uit zijn functie te ontheffen.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Kern van het betoog van appellant is dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij niet goed functioneerde en geen draagvlak meer genoot bij zijn medewerkers en collega’s binnen de staven.

4.2.

Uit de gedingstukken komt het volgende naar voren.

4.2.1.

In zijn voorstel van 10 december 2013 tot ontheffing van appellant uit zijn functie wijt de [Commandant van het onderdeel] het ontbreken van draagvlak voor appellant aan diens beperkte communicatieve vaardigheden, waarbij het vooral ontbreekt aan het opmerken van en het handelen naar signalen van gesprekspartners. De commandant heeft tijdens een gesprek met de directe medewerkers en appellant drie nadere richtlijnen verstrekt aan appellant. Ten eerste diende appellant een coach te nemen voor reflectie op zijn gedrag. Ten tweede diende hij zijn focus te verleggen van inhoudelijk technisch werk naar het bepalen van prioriteiten en werkaanpak en het optimaal inzetten van zijn technische specialisten. Ten derde diende hij een teambuilding te houden. Geen van deze drie richtlijnen zijn echter door appellant ingevuld. Verder toont appellant beperkt inzicht in de eigen organisatie; hij bemoeit zich met onderwerpen buiten zijn eigen metier en weet niet welke wegen te bewandelen om draagvlak te creëren. Klachten hierover hebben de commandant met regelmaat bereikt. Verder ontbreekt in het eigen werk van appellant de precisie of de compleetheid en laat hij finale controle na als hij opdrachten verdeelt.

4.2.2.

In een e-mail van 19 november 2013 aan de [Commandant van het onderdeel] beschrijft majoor B, werkzaam bij [afdeling], een aantal punten die hem opvallen aan het optreden van appellant. Hij vermeldt onder meer dat appellant niet of slecht overlegt met zijn mensen en staf, wat tot gevolg heeft dat dezen B rechtstreeks aanschieten om na te gaan wat appellant uitvoert of te vragen of klopt wat hij hun vertelt, dat hij slecht of selectief luistert wat blijkt uit verslagen die hij doet van vergaderingen waar B en appellant beiden aanwezig waren en dat appellant te lang vasthoudt aan zijn stokpaardjes.

4.2.3.

De teamcoach beschrijft in zijn (onder 1.2 bedoelde) brief dat hem na het gesprek met de [Commandant van het onderdeel] en appellant voor ogen stond dat eerst een mediation nodig zou zijn voorafgaand aan de teambuilding. Hij heeft de basis voor de mediation onderzocht door de vier stafleden van appellant te interviewen en de uitkomst daarvan was dat er uit oogpunt van deze vier stafleden een unanieme en onherstelbare vertrouwensbreuk is. De feedback die de teamcoach van de vier stafleden kreeg, kwam op hoofdlijnen overeen en hield ernstige kritiek in op, onder meer, appellants gemis aan leiderschapskwaliteiten en vermogen een dialoog te voeren, zijn gebrekkige personeelszorg, zijn vakinhoudelijk optreden en de afwezigheid van draagvlak bij externe relaties.

4.2.4.

In een e-mail van 19 mei 2014 aan de [Commandant van het onderdeel] hebben drie stafleden van appellant, adjudant D, majoor G en appellants plaatsvervanger majoor R, de kritiekpunten opgesomd die zij hadden op het functioneren van appellant en met hem in de periode september-oktober 2013 hebben besproken.

4.2.5.

In een e-mail van 26 mei 2014 aan de stafofficier functietoewijzing beschrijft de [Commandant van het onderdeel] de gesprekken die hebben plaatsgevonden met appellant over diens functioneren en de daarin geuite kritiek. Volgens de commandant is een aantal kritiekpunten bijna tweewekelijks bij appellant aan de orde gesteld, tijdens of rondom de ondercommandantenvergadering.

4.3.

Appellant heeft niet weersproken dat er gesprekken zijn gevoerd en dat zijn commandant hem de drie richtlijnen heeft verstrekt, maar volgens hem is de kritiek deels niet terecht en heeft hij er overigens adequaat op gereageerd. Uit de hiervoor weergegeven stukken blijkt dat de beleving van appellant van zijn functioneren niet overeenstemt met die van zijn commandant, zijn vier stafleden en in ieder geval één externe relatie. Een reden om te twijfelen aan de juistheid van de kritiek van de betrokkenen uit de omgeving van appellant op diens functioneren is er niet. Het aantal betrokkenen is daarvoor te groot en hun kritiek is daarvoor te eensluidend. Ook aan de conclusies van de teamcoach twijfelt de Raad niet; niet alleen is daarvoor op zichzelf geen enkele aanleiding, maar bovendien zijn de standpunten van de stafleden van appellant nog eens bevestigd in de onder 4.2.4 genoemde e-mail van 19 mei 2014. In een schriftelijke verklaring van 6 mei 2015 heeft adjudant D zijn standpunt nog eens bevestigd.

4.4.

Dat geen functioneringstraject, met een adequate vastlegging van functioneringsgesprekken en -verslagen, is gevolgd behoefde in dit geval voor de minister ook geen reden te zijn om niet uit te mogen gaan van het disfunctioneren van appellant. Appellant betwist namelijk niet dat gesprekken met hem zijn gevoerd waarin kritiek is geuit en feedback is gegeven en dat hem richtlijnen ter verbetering zijn opgedragen. Deze omstandigheden en de hiervoor weergeven op schrift gestelde kritiek op zijn functioneren vormen een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant niet functioneerde en geen draagvlak meer genoot.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat er geen directe noodzaak was om hem uit zijn functie te ontheffen; van een dienstbelang daartoe, bestaande uit mogelijk mindere paraatheid van de krijgsmacht, is niet gebleken. Appellant bekleedde echter een - hoge - leidinggevende positie bij Geniewerken. Gelet op de aard van de kritiek op zijn functioneren, en dan met name het ontbreken van draagvlak bij zijn staf, mocht de minister aannemen dat er reëel gevaar kon ontstaan voor de continue paraatheid bij dit deel van de krijgsmacht. Dit dienstbelang is voldoende zwaarwegend om het ontheffen van appellant uit zijn functie te rechtvaardigen. Bovendien rechtvaardigt het ontbreken van draagvlak en vertrouwen in verder functioneren, gelet op de leidinggevende positie van appellant, dat de minister snel ingreep. De minister heeft daarom in redelijkheid gebruik kunnen maken van de in artikel 17, eerste lid, van het AMAR neergelegde bevoegdheid om appellant uit zijn functie te ontheffen.

4.6.

Appellant heeft vervolgens aangevoerd dat de ontheffing uit zijn functie direct gevolgd had moeten worden door toedeling van een nieuwe functie. Ook dit betoog slaagt niet. Uit artikel 17, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 17, vijfde lid, van het AMAR vloeit voort dat een besluit tot ontheffing uit een functie niet tevens en tegelijkertijd toewijzing van een andere functie moet inhouden. Het bestreden besluit is daarom ook in zoverre niet in strijd met artikel 17, eerste lid, van het AMAR. Het besluit van 29 april 2014, waarbij appellant is geplaatst op de verzamelarbeidsplaats “zwevend”, en het besluit van 26 juni 2014, waarbij appellant is aangewezen als herplaatsingskandidaat, vallen buiten de omvang van dit geding.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en K.J. Kraan en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2016.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) S.W. Munneke

JL