Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1552

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
29-04-2016
Zaaknummer
15-119 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag op grond van artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie en de Trfp. Functieonderhoud. Uit besluit van 31 augustus 2010 kan niet worden afgeleid dat korpschef heeft beoogd appellant de functie van (naam 2) te laten uitoefenen. Waarnemingstoelage. Feitelijk opgedragen taken, die het niveau van de functie (naam 1) overstijgen, is niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/119 AW

Datum uitspraak: 28 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 november 2014, 13/1555 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio [regio] (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. N.D. Dane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 15/76 AW, plaatsgehad op 4 februari 2016. Namens appellant is verschenen mr. Dane. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [naam functie] binnen het [team] van de voormalige politieregio [regio] .

1.2.

Nadat de korpschef appellant kenbaar had gemaakt dat hij in het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) het voornemen had de functie van [naam functie] aan te merken als de uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het LFNP, heeft appellant verzocht om functieonderhoud op grond van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp, Stcrt. 2012, nr. 3097). Appellant heeft in dit kader onder meer aangevoerd dat hij vanaf medio 2005 door de korpschef is aangewezen als teamleider [T] en uit dien hoofde leiding heeft gegeven aan meerdere [teams]

1.3.

Bij besluit van 21 oktober 2011 (besluit 1) heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij besluit van 7 november 2011 (besluit 2) is de uitgangspositie van appellant ongewijzigd vastgesteld. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 8 mei 2012 (besluit 3) heeft de korpschef, onder toepassing van de in artikel 7 van de Trfp neergelegde hardheidsclausule, de functie van [naam 1] , gewaardeerd in [schaal 1] , op appellant van toepassing verklaard en appellant met ingang van 31 december 2009 benoemd in deze functie. Dit besluit, voor zover hier van belang, berust op de overweging dat de door appellant verrichte werkzaamheden als teamleider [T] het niveau van de functie van [naam functie] overstijgen. Ook tegen besluit 3 heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.6.

Appellant heeft er in het kader van dit bezwaar met name op gewezen dat aan hem in het verleden voor zijn inzet als teamleider [T] een waarnemingstoelage is verstrekt ter hoogte van [schaal 1] . Deze toelage is expliciet gebaseerd op de functie [naam 2] , gewaardeerd in [schaal 2] , aldus appellant. Appellant heeft de korpschef verzocht om hem alsnog te plaatsen in laatstgenoemde functie.

1.7.

Bij besluit van 18 januari 2013 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft de korpschef beslist op de bezwaren tegen de besluiten 1,2 en 3; deze besluiten zijn daarbij (materieel) gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft de juistheid van die uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie en de Trfp kan de ambtenaar tot en met 23 mei 2011 een aanvraag indienen om, als in de periode van

31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 de feitelijk aan hem opgedragen werkzaamheden gedurende tenminste een jaar wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie en in samenhang daarmee de voor hem geldende functiebeschrijving, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Het is daarbij aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat dit het geval is. Nu het hier een vaststelling van feiten betreft, is een slechts terughoudende toetsing door de rechter volgens vaste rechtspraak van de Raad niet op zijn plaats (uitspraken van 25 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6876 en 21 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2588).

4.1.2.

Het gaat bij functieonderhoud niet zozeer om een vergelijking met andere functiebeschrijvingen en evenmin om de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden onder een andere functiebeschrijving kunnen worden gebracht. Waar het wel om gaat is de beantwoording van de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden wezenlijk afwijken van de voor betrokkene geldende functie en in samenhang daarmee van de voor hem geldende functiebeschrijving. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde op welke wijze werkzaamheden en functie met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Daarbij zijn aanpassing van de functiebeschrijving en inpassing in een andere generieke functie opties (vergelijk de uitspraken van de Raad van 3 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2263 en 23 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1309).

4.2.

Aan appellant is bij besluit van 31 augustus 2010 meegedeeld dat zijn aanwijzing als teamleider [T] wordt verlengd tot 1 januari 2013 en dat hij, indien hij wordt ingezet als teamleider [T] , voor de duur van het onderzoek een waarnemingstoelage ontvangt “ter hoogte van schaal 11 voor de functie [naam 2] ”. Anders dan namens appellant is betoogd, kan uit dit besluit niet worden afgeleid dat de korpschef heeft beoogd om appellant (het volledige samenstel van werkzaamheden van) de functie [naam 2] te laten uitoefenen. Uit dit besluit, voor zover hier van belang, blijkt slechts dat aan appellant in verband met zijn werkzaamheden als teamleider [T] een waarnemingstoelage is toegekend, waarbij voor wat betreft de hoogte daarvan aansluiting is gezocht bij de salarisschaal behorende bij de functie [naam 2] . Bijgevolg heeft de rechtbank appellant terecht niet gevolgd in zijn standpunt dat reeds uit de aan hem toegekende waarnemingstoelage volgt dat hij werkzaamheden heeft verricht die wezenlijk afwijken van de (niveaubepalende elementen van de) functie van [naam 1] . De hierop gerichte beroepsgrond slaagt niet.

4.3.

Appellant heeft ook overigens niet aannemelijk gemaakt dat de op hem van toepassing verklaarde functie van [naam 1] geen adequate beschrijving geeft van de hem feitelijk opgedragen werkzaamheden ten tijde van belang en dat die werkzaamheden daarvan wezenlijk afwijken. In het bijzonder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van belang sprake is geweest van feitelijk aan hem opgedragen taken op het gebied van politiële beleidsontwikkeling die het niveau van de functie van [naam 1] overstijgen. Appellant heeft geen concrete voorbeelden genoemd waaruit blijkt dat hiervan sprake is geweest. Wat betreft de overige door appellant gestelde afwijkingen komt de Raad tot geen andere conclusie. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is al met al geen grond gelegen voor het oordeel dat de korpschef bij het besluit van 1 juni 2012, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, de werkzaamheden die appellant feitelijk zijn opgedragen, niet juist heeft vastgesteld.

4.4.

Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema als voorzitter en K.J. Kraan en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2016.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) S.W. Munneke

HD