Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1548

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
29-04-2016
Zaaknummer
15-1968 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, ARAR of artikel 99, eerste lid, van het ARAR. Functieongeschiktheid indien houding en gedrag werknemer ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden. Daar komt bij dat tewerkstelling van appellante buiten de [dienst 1] op de zojuist bedoelde aspecten is stukgelopen. Doorgeschoten in de aandacht voor enerzijds de vermeende eigen aanspraken en anderzijds de vermeende tekortkomingen bij de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1968 AW

Datum uitspraak: 28 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

6 februari 2015, 14/2755 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Kanhai, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G. Jairam, advocaat. Namens de minister zijn verschenen

mr. A.A. in ’t Veen, mr. A. van Loon, M. Hermans en K.J. Bosman.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1.

Appellante was sinds 1999 werkzaam als secretaresse bij de [dienst 1] ([dienst 1]) voor 32 uur per week.

1.2.

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft de minister appellante met ingang van 1 december 2003 ontslagen wegens ongeschiktheid voor haar functie van secretaresse anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

9 februari 2006 (04/5541) is dit ontslag vernietigd en herroepen, nadat was gebleken dat appellante vanaf september 2003 wegens ziekte ongeschikt is geweest voor haar arbeid.

1.3.

Bij besluit van 21 februari 2007 heeft de minister appellante geplaatst bij de [dienst 1]-locatie te ’s-Hertogenbosch. Appellante heeft gedeeltelijk hervat, maar is nimmer gekomen tot volledige uitoefening van haar functie.

1.4.

Vanaf 2008 volgden meerdere bezwaar- en klachtprocedures met betrekking tot de financiële afhandeling van appellantes herroepen ontslag.

1.5.

In zijn rapport van 9 mei 2012 heeft de bedrijfsarts te kennen gegeven dat een terugkeer van appellante naar de [dienst 1] te veel stress zal opleveren en dat een duurzame re-integratie bij de [dienst 1] niet te verwachten valt. Op 12 juli 2012 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op verzoek van de minister een deskundigenoordeel uitgebracht, waarbij duidelijk is gemaakt dat appellante op 31 mei 2012 haar eigen werk niet kon doen, maar dat zij wel arbeidsgeschikt wordt geacht voor het maatgevende werk in een andere werkomgeving.

1.6.

Bij schrijven van 16 mei 2013 heeft de bedrijfsarts laten weten dat appellante situatief arbeidsongeschikt is en dat appellante kan werken in een passende functie buiten de [dienst 1].

1.7.

In november 2013 was er een passende functie voor appellante beschikbaar bij de [dienst 2]. Door partijen is een detacheringsovereenkomst getekend, waarna appellante aan de slag is gegaan bij de [dienst 2]. De [dienst 2] heeft blijkens een brief van 21 november 2013 na één dag besloten de detachering te beëindigen vanwege appellantes opstelling.

1.8.

Op 5 december 2013 heeft een herbeoordeling door het Uwv plaatsgevonden in het kader van appellantes uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op 22 november 2013 is zij gezien door een verzekeringsarts die heeft geoordeeld dat geen sprake is van een ziekte of gebrek, doch dat terugkeer naar de eigen werkgever zal leiden tot schade aan de gezondheid, zodat dit ontraden moet worden. De arbeidsdeskundige heeft geoordeeld dat nu geen sprake is van ziekte of gebrek, appellante in staat moet worden geacht de maatmanwerkzaamheden te verrichten.

1.9.

Bij brief van 20 december 2013 heeft de minister aan appellante meegedeeld voornemens te zijn haar ontslag te verlenen. Nadat appellante haar zienswijze had ingediend is aan appellante bij besluit van 6 januari 2014 met ingang van 1 februari 2014 ontslag verleend wegens primair het weigeren van een passende functie, subsidiair ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte en meer subsidiair onbekwaamheid en ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Bij besluit van 3 juli 2014 (bestreden besluit) is dit besluit gehandhaafd, met dien verstande dat het ontslag alleen nog gebaseerd is op de meer subsidiaire grond, onbekwaamheid en ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak op hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante kan zich verenigen met het ontslag als zodanig, maar niet met de grond waarop dit is gegeven. Zij meent dat een ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) meer passend zou zijn geweest. Vooropgesteld wordt in dat verband dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 30 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1835) bij samenloop van ontslaggronden keuzevrijheid bestaat. Wel moet de gehanteerde ontslaggrond voldoende zijn onderbouwd.

4.2.

In dit geval berust het ontslag op artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR, waarin is bepaald dat ontslag kan worden verleend aan de ambtenaar op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van het door hem beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

6 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN8009) moet de ongeschiktheid waarop artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR doelt zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn. Daarvoor is niet steeds vereist dat de daadwerkelijke functievervulling van de ambtenaar niet naar behoren is. Ook in gevallen waarin niet zo zeer de vervulling van de inhoudelijke taken van de betrokken ambtenaar tekortschiet, maar diens houding en gedrag hem ongeschikt maken voor zijn werkzaamheden, kan van functieongeschiktheid in de zin van de genoemde bepaling sprake zijn.

4.3.

De Raad is van oordeel dat het laatste in dit geval aan de orde is. Uit de gedingstukken komt het indringende beeld naar voren dat appellante zich na de herroeping van haar eerdere ontslag nimmer meer heeft kunnen losmaken van haar grieven jegens haar werkgever, dat haar aandacht meer en meer is verschoven van haar inhoudelijke werkzaamheden naar de eigen rechtspositie en (vermeende) gebreken daarin, en dat zij in almaar toenemende mate wantrouwen jegens de werkgever heeft ontwikkeld. De situatieve arbeidsongeschiktheid die op een zeker moment is vastgesteld kan niet los van deze achtergrond worden gezien. Appellantes preoccupatie met de eigen rechten en aanspraken, alsmede haar aversie jegens de werkgever hebben gaandeweg dusdanige vormen aangenomen dat de conclusie van functieongeschiktheid daardoor zonder meer wordt gerechtvaardigd. Dat wordt niet anders doordat de financiële afwikkeling van het herroepen ontslag problemen heeft gekend. Appellantes negatieve opstelling jegens de werkgever ging die enkele kwestie ver te buiten.

4.4.

De door de minister getrokken conclusie van functieongeschiktheid is te meer op zijn plaats nu zelfs een poging om te komen tot tewerkstelling van appellante buiten de [dienst 1], op de zojuist bedoelde aspecten is stukgelopen. Ook in het kader van de detachering bij de [dienst 2] heeft appellante in buitensporige mate aandacht gevraagd voor de eigen rechtspositie en heeft zij bovendien niet zonder meenemen van een adviseur op een gesprek willen verschijnen waarbij ook een vertegenwoordiger van de [dienst 1] als uitlenende organisatie aanwezig zou zijn. Deze gang van zaken heeft ertoe geleid dat de [dienst 2] het vertrouwen in appellante is verloren.

4.5.

Conclusie is dat de situatie, bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR, zich in dit geval voordeed. Het standpunt van appellante dat het haar goed recht was om door middel van klachten-, bezwaar- en beroepsprocedures en verzoeken om schadevergoeding op te komen voor wat haar toekomt, leidt niet tot een ander oordeel. Vanzelfsprekend kan een werknemer niet het recht worden ontzegd rechtsmiddelen aan te wenden tegen besluiten van de werkgever, maar appellante is in haar aandacht voor enerzijds de vermeende eigen aanspraken en anderzijds de vermeende tekortkomingen bij de werkgever, in dusdanige mate doorgeschoten dat dit evident aan een goede taakvervulling en een constructieve werkverhouding in de weg is gaan staan.

4.6.

Appellante kan ten slotte niet worden gevolgd in haar stelling dat haar geen verbeterkans is geboden. De gedingstukken laten zien dat aan appellante meermaals is verzocht de aandacht te verleggen naar de inhoudelijke taakvervulling, terwijl de minister bovendien, zonder succes, heeft gepoogd om door middel van interne, en, als gezegd, uiteindelijk ook externe herplaatsing tot een oplossing te komen.

4.7.

De minister was dus bevoegd om appellante met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR eervol te ontslaan. Niet gezegd kan worden dat hij niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In dit verband wordt nog opgemerkt dat situatieve arbeidsongeschiktheid niet in de weg hoeft te staan aan een ontslag wegens functieongeschiktheid, zo lang maar aan de vereisten voor zo’n ontslag is voldaan (uitspraak van 17 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8882).

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en E.J.M. Heijs en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) C.A.W. Zijlstra

JL