Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
15-3145 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om kwijtschelding van openstaande vordering. In dit geval is sprake van een verzoek om kwijtschelding na afwijzing van eerdere verzoeken om kwijtschelding. In beginsel betreft een nieuw verzoek om kwijtschelding een nieuw beoordelingsmoment met een gewijzigde restantschuld, zodat geen sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3145 WWB

Datum uitspraak: 26 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

3 april 2015, 14/3726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2016. Appellante is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Assmann.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW). De RWW is met ingang van 1 januari 1996 ingetrokken. Met ingang van deze datum is de Algemene Bijstandswet (ABW) vervangen door Algemene bijstandswet (Abw), waarin de bepalingen van de RWW deels zijn opgenomen. Per 1 januari 2004 is de Abw vervangen door de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 25 juli 1990 heeft het college de ten onrechte verstrekte RWW-uitkering over de periode van 1986 tot en met 1990 tot een bedrag van fl. 78.309,29 (omgerekend

€ 35.489, 83) van appellante en haar toenmalige partner [S.] (S) teruggevorderd vanwege het niet melden van inkomsten.

1.3.

Bij beschikking van de kantonrechter van 15 april 1991 is vastgesteld dat het college de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van fl. 78.209,29 (omgerekend € 35.489, 83) van appellante en S. kan invorderen.

1.4.

Bij besluit van 6 juni 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 september 2007, heeft het college het verzoek van appellante om kwijtschelding van de openstaande vordering afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 9 september 2008 heeft het college het tweede verzoek van appellante om kwijtschelding afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

1.6.

Bij brief van 7 februari 2014 heeft appellante wederom verzocht om kwijtschelding van de openstaande vordering.

1.7.

Bij besluit van 19 februari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellante afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college, voor zover van belang, onder verwijzing naar de toepasselijke beleidsregels ten grondslag gelegd dat de aangevoerde gronden op grond waarvan van (verdere) inning kan worden afgezien, niet aan de orde zijn. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om, in afwijking van het beleid, alsnog tot kwijtschelding over te gaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij voert aan dat het beleid van het college niet volledig de lading dekt van artikel 58, zevende lid, van de Participatiewet (PW)/WWB. Het college had daarom moeten beoordelen of de vordering op grond van artikel 58, zevende lid, van de PW/WWB voor kwijtschelding in aanmerking komt. Appellante voert voorts aan dat aanleiding bestaat om van het beleid af te wijken. Zij lost al drieëntwintig jaar op de schuld af, terwijl zij niet de veroorzaker van de schuld was en haar toenmalige partner nooit heeft bijgedragen in de aflossing daarvan. Door het terugvorderingsbesluit heeft appellante steeds op het niveau van het sociale minimum geleefd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De stelling van appellante dat aan artikel 58, zevende lid van de PW/WWB moet worden getoetst omdat deze bepaling ruimer is geformuleerd dan het beleid van het college, wordt niet gevolgd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in een uitspraak van 8 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3084), volgt uit het overgangsrecht van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet van 4 oktober 2012, Staatsblad 2012, 462) dat de wijziging van artikel 58, eerste lid, (waarbij de verplichting tot terugvordering is ingevoerd) en de toevoeging van artikel 58, zevende en achtste lid, van de WWB per 1 januari 2013 waarbij uitzonderingsmogelijkheden op het eerste lid zijn gecreëerd, niet van toepassing zijn op vorderingen die zijn ontstaan uiterlijk op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van dit artikel (artikel XXV, zesde lid, in samenhang gelezen met artikel XIV onder G van de Wet aanscherping). De vordering is hier ontstaan met de toezending van het terugvorderingsbesluit van 25 juli 1990.

4.2.

Het bestreden besluit is gebaseerd op het Debiteurenbeleid WWB, IOAW en IOAZ 2013 (Debiteurenbeleid) van de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Op grond van artikel 7, aanhef en onder c, van het Debiteurenbeleid kan het college onder meer besluiten van (verdere) inning af te zien als de belanghebbende in totaal een bedrag op de vordering heeft voldaan dat overeenkomt met zestig maanden de aflossingsnorm bij de start van de vordering, tenzij het gaat om een vordering als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.

4.3.

In dit geval is sprake van een verzoek om kwijtschelding na afwijzing van eerdere verzoeken om kwijtschelding. In beginsel betreft een nieuw verzoek om kwijtschelding een nieuw beoordelingsmoment met een gewijzigde restantschuld, zodat geen sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het vorenstaande neemt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 31 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8106) echter niet weg dat in het geval waarin een nieuw verzoek om kwijtschelding voorligt na afwijzing van een eerder verzoek, het in het algemeen op de weg van de verzoeker ligt om aan te tonen dat zich sinds die afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan in die zin dat thans wel wordt voldaan aan de vereisten om voor kwijtschelding in aanmerking te komen.

4.4.

Appellante stelt dat er thans bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van zijn beleid had moeten afwijken. Het gegeven dat appellante zoals zij heeft gesteld al langdurig aflost op de vordering, levert op zichzelf geen grond op voor het oordeel dat het college aanleiding had moeten zien om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van zijn beleid. Immers, vele personen bevinden zich in de omstandigheid dat zij langdurig op een schuld aflossen. Wat appellante heeft aangevoerd over haar financiële situatie levert evenmin een bijzondere omstandigheid op. Van belang is dat zij de bescherming heeft of kan inroepen van de regels inzake de beslagvrije voet en dat zij dus steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm. Voorts is in de toepassing van het Debiteurenbeleid voor het college een groot belang gelegen in de regelmatige uitvoering van de WWB en in het belang dat in geval van een fraudevordering de teveel betaalde bijstand wordt teruggevorderd en wordt ingevorderd. Ten slotte levert de stelling van appellante dat zij niet de veroorzaker was van de schuld evenmin een zodanige grond op, reeds omdat de bijstand aan appellante en haar toenmalige partner destijds als gezinsbijstand is verstrekt. Ingeval van gezinsbijstand worden beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid gezien wat hun aanspraken en verplichtingen op grond van de WWB betreft.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) M.S. Spek

HD