Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1542

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
15-3833 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Er was een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Uit het gespreksverslag blijkt dat appellant juist en volledig is geïnformeerd over de reden en het doel van dat huisbezoek en ook dat appellant - anders dan hij stelt - herhaaldelijk is gewezen op het feit dat weigeren gevolgen zou hebben voor het recht op bijstand, dat hij die gevolgen heeft begrepen en dat hij heeft volhard in zijn weigering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3833 WWB

Datum uitspraak: 26 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

21 april 2015, 14/9330 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.

1.2.

Bij besluit van 10 maart 2014 heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 26 februari 2014. Het college heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd. Consulenten van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Den Haag hebben sinds februari 2013 geprobeerd een afspraak met appellant te maken. Dit is niet gelukt omdat hij steeds afbelt of omdat de post retour komt. Dit is voor de consulenten aanleiding geweest om op 9 januari 2014 een onaangekondigd huisbezoek af te leggen aan de woning op het door appellant opgegeven uitkeringsadres. Van een huisbezoek is het niet gekomen, maar wel is geconstateerd dat de brievenbus vol zat, de ramen volledig bedekt waren, de ramen van de voordeur bedekt waren met isolatiemateriaal en de deurbel niet functioneerde. De buurman, die op dat moment al twee jaar naast de woning van appellant woonde, heeft verklaard dat hij nog nooit iemand in de woning heeft gezien. Vervolgens hebben de consulenten gegevens over het waterverbruik van de woning op het uitkeringsadres opgevraagd. Uit deze gegevens is gebleken dat in de periode van april 2010 tot en met april 2013 in totaal 7 m3 water is verbruikt. Dit is aanleiding geweest om appellant uit te nodigen voor een gesprek op 26 februari 2014, waar appellant is verschenen. Appellant heeft tijdens dit gesprek te kennen gegeven vragen niet te willen beantwoorden. Hij heeft geen toestemming gegeven voor het afleggen van een huisbezoek in aansluiting op het gesprek, waardoor het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.

1.3.

Bij besluit van 1 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat hij gebruik heeft gemaakt van zijn recht op privacy, zodat in zijn geval niet mag worden gesproken van het weigeren medewerking te verlenen aan een huisbezoek. De consulenten hebben hem niet geïnformeerd dat de weigering medewerking te verlenen gevolgen zou hebben voor zijn uitkering. Zijn woonsituatie kon bovendien op een voor hem minder belastende manier worden vastgesteld. Het waterverbruik is laag omdat appellant zelden de was doet of onder de douche gaat en water hergebruikt. De consulenten hebben appellant bij het gesprek op 26 februari 2014 ten onrechte niet gewezen op de mogelijkheid een tolk in te schakelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 26 februari 2014 tot en met 10 maart 2014 (datum intrekkingsbesluit).

4.2.

Artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van het antwoord op de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de betrokkene erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de betrokkene erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning rust op het bijstandverlenend orgaan.

4.3.

Bij de poging van 9 januari 2014 om een onaangekondigd huisbezoek af te leggen, hebben de consulenten geconstateerd dat de brievenbus van appellant vol was en dat de ramen waren bedekt. Ook heeft de buurman van appellant verklaard dat hij nooit iemand in de woning van appellant heeft gezien. Daarnaast kwamen aan appellant gerichte brieven bij het college retour. Deze gegevens en het feit dat appellant weigerde vragen te beantwoorden leveren, ook als het waterverbruik buiten beschouwing wordt gelaten, voldoende objectieve feiten en omstandigheden op, op grond waarvan het college redelijkerwijs kon twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de door appellant verstrekte gegevens over zijn woonsituatie.

4.4.

Uit het verslag van het gesprek op 26 februari 2014 blijkt dat het college de woonsituatie van appellant in dit gesprek aan de orde heeft willen stellen. Hiermee heeft het college getracht op een voor appellant minder belastende manier meer informatie te krijgen over zijn woonsituatie. Appellant heeft tijdens dit gesprek meerdere keren gezegd op een vraag geen antwoord te willen, dan wel te kunnen geven. Gelet daarop was er niet een voor appellant minder belastende manier om de woonsituatie te verifiëren. De door appellant overgelegde foto's leiden - anders dan appellant stelt - niet tot het oordeel dat het college dit op een voor appellant minder belastende wijze kon doen. De ongedateerde foto's geven maar een zeer beperkt beeld van de woonsituatie en niet duidelijk is wanneer ze zijn gemaakt.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat er een redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek. Uit het gespreksverslag blijkt dat appellant juist en volledig is geïnformeerd over de reden en het doel van dat huisbezoek en ook dat appellant - anders dan hij stelt - herhaaldelijk is gewezen op het feit dat weigeren gevolgen zou hebben voor het recht op bijstand, dat hij die gevolgen heeft begrepen en dat hij heeft volhard in zijn weigering. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de weergave van het gesprek zoals die uit het verslag blijkt. De omstandigheid dat appellant tijdens dit gesprek niet is gewezen op de mogelijkheid om van een tolk gebruik te maken, leidt er niet toe dat de bevindingen tijdens dit gesprek niet aan de besluitvorming ten grondslag kunnen worden gelegd. Dit is alleen al het geval omdat nergens uit blijkt dat appellant de Nederlandse taal niet beheerst en de gestelde vragen niet begreep.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het college aan het weigeren medewerking te verlenen aan het huisbezoek op 26 februari 2014 de conclusie heeft kunnen verbinden dat het recht op bijstand niet langer kon worden vastgesteld. De daartegen gerichte gronden slagen niet.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD