Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
14-3715 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij woonachtig is binnen de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3715 WWB

Datum uitspraak: 26 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 mei 2014, 13/7838 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om het college te veroordelen in de vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Leenders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante staat samen met haar twee kinderen sinds 3 mei 2013 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [opgegeven adres] te [woonplaats] (opgegeven adres).

1.2.

Op 26 mei 2013 heeft appellante bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.3.

Op 17 juli 2013 heeft het Intern Bureau Nieuwe Klanten (bureau) van de gemeente Nijmegen aan de afdeling Inkomen, Bureau Handhaving (handhaving), gemeld dat appellante bijstand heeft aangevraagd, omdat de relatie met haar vriend in Heerlen is beƫindigd. Zij is toen verhuisd naar Nijmegen, waarmee ze geen binding heeft. Wel is appellante regelmatig in Heerlen, omdat een van de kinderen daar nog op de basisschool zit. Appellante is van plan om zo snel mogelijk weer terug te keren naar Heerlen.

1.4.

Naar aanleiding van de in 1.3 genoemde melding heeft een preventiemedewerker van handhaving (preventiemedewerker) een onderzoek ingesteld naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft de preventiemedewerker samen met een klantmanager van het bureau op 31 juli 2013 op kantoor Mariƫnbeurs een gesprek met appellante gevoerd. Aansluitend op het gesprek hebben de preventiemedewerker en de klantmanager een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de preventiemedewerker van 1 augustus 2013.

1.5.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

31 juli 2013 de aanvraag om bijstand af te wijzen op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Appellante heeft daarmee niet voldaan aan haar inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.6.

Met ingang van 4 september 2013 woont appellante op het adres van haar ouders in Heerlen, waar zij van de gemeente Heerlen met ingang van 5 september 2013 bijstand ontvangt naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.7.

Bij besluit van 28 oktober 2013 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. De bevindingen van het huisbezoek komen niet overeen met wat appellante tijdens het direct daaraan voorafgaande gesprek heeft verklaard. Zo heeft appellante verklaard dat zij en haar kinderen op de zolderkamer slapen, waar zij met haar zoon op een luchtbed en haar dochter in een campingbedje slapen. Bij het huisbezoek is echter vastgesteld dat in de zolderkamer een eenpersoonsbed stond en een opgevouwen leeg luchtbed dat volgens appellante lek was. Voorts is geen of nauwelijks kleding van appellante en haar kinderen aangetroffen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellante heeft verklaard dat zij al een kleine drie maanden op het opgegeven adres heeft verbleven. Verder is gebleken dat de zoon van appellante ten tijde van de aanvraag nog ongeveer zes weken naar de basisschool in Heerlen moest. Niet geloofwaardig wordt geacht dat appellante haar zoon gedurende deze periode dagelijks van Nijmegen naar Heerlen heeft gebracht en weer heeft opgehaald. Appellante heeft de bevindingen die bij het college vragen hebben opgeroepen niet afdoende weerlegd. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waaruit volgt dat desondanks moet worden geconcludeerd dat appellante in de periode in geding op het opgegeven adres heeft gewoond.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 26 mei 2013 tot en met 31 juli 2013.

4.2.

Bij een aanvraag om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf de datum van de aanvraag in Nijmegen heeft gewoond. Ten onrechte is de rechtbank niet ingegaan op de verklaring van de hoofdbewoners.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand van appellante niet is vast te stellen en dat de aanvraag daarom terecht is afgewezen. Verwezen wordt naar de overwegingen van de rechtbank, zoals in 2 samengevat weergegeven, waarop dit oordeel berust. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De in bezwaar overgelegde, ongedateerde verklaring van [X.], een van de hoofdbewoners van het opgegeven adres (hoofdbewoner), houdt uitsluitend in algemene bewoordingen in dat appellante in de periode van ongeveer mei tot en met half augustus 2013 op het opgegeven adres heeft gewoond. Bovendien verklaart de hoofdbewoner alleen over appellante en niet over de kinderen van appellante. Een toelichting op de feitelijke woon- en leefsituatie van appellante en haar kinderen ontbreekt evenwel. Dit was temeer van belang nu over de feitelijke woon- en leefsituatie tijdens het huisbezoek onduidelijkheid is ontstaan in het licht van wat appellante vlak daarvoor in het gesprek met de preventiemedewerker en de klantmanager had verklaard. Ook in hoger beroep heeft appellante nagelaten om aan de op haar rustende bewijslast te voldoen. De door appellante geschapen onduidelijkheid over haar woon- en leefsituatie heeft zij immers niet weggenomen aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens, die zouden kunnen onderbouwen dat zij met haar kinderen in de te beoordelen periode op het opgegeven adres haar hoofdverblijf heeft gehad. Het betoog van appellante dat de hoofdbewoners tijdens het huisbezoek ten onrechte niet of nauwelijks zijn bevraagd over haar situatie en die van haar kinderen, wat daarvan ook zij, doet hier niet aan af, nu het aan appellante was om helderheid over haar situatie te verschaffen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.6.

Gelet op 4.5 bestaat voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding geen grond. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

5. Voor een beoordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) M.S. Spek

IJ