Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1529

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
14-4783 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Niet woonachtig binnen de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4783 WWB, 14/6725 WWB

Datum uitspraak: 26 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

15 juli 2014, 14/416 (aangevallen uitspraak 1) en 27 oktober 2014, 14/3433

(aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen de aangevallen uitspraken en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Spek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.A. Boogaards.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 4 juni 2013 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant opgegeven dat hij woont op het [opgegeven adres] te [woonplaats] (opgegeven adres). Appellant staat sinds 13 juni 2013 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) op het opgegeven adres. Op 13 juni 2013 stond tevens een gezin, bestaande uit vier personen, ingeschreven op het opgegeven adres.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In dat kader hebben twee handhavingsmedewerkers van de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Den Haag (afdeling BO), op 22 juli 2013 getracht een huisbezoek af te leggen op het opgegeven adres. Omdat appellant niet aanwezig was, hebben zij een aan appellant gerichte uitnodiging voor een gesprek op 24 juli 2013 in de brievenbus achtergelaten. Appellant heeft daarop niet tijdig gereageerd.

1.3.

Bij besluit van 25 juli 2013 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen.

1.4.

Appellant heeft op 5 augustus 2013 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. In het kader van deze aanvraag hebben twee handhavingsmedewerkers van de afdeling BO op

7 augustus 2013 een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. Tijdens het huisbezoek is in de kamer van appellant een stapeltje kleding aangetroffen, maar bijvoorbeeld truien, jassen, schoenen en sport- of nachtkleding zijn niet aangetroffen. Er was geen serviesgoed, niets te eten of te drinken en evenmin waren er persoonlijke spullen zoals foto’s aanwezig. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapportage van 8 augustus 2013.

1.5.

Bij besluit van 16 augustus 2013 heeft het college het besluit van 25 juli 2013 ingetrokken. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 16 augustus 2013 heeft het college de aanvragen van appellant van 4 juni 2013 en 5 augustus 2013 afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres, wat hij, in strijd met zijn inlichtingenverplichting, niet aan het college heeft gemeld en dat daardoor niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, hij recht heeft op bijstand.

1.6.

Appellant heeft op 28 augustus 2013 opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend.

1.7.

Bij besluit van 13 januari 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2013 ongegrond verklaard.

1.8.

Bij besluit van 6 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 maart 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag van 28 augustus 2013 afgewezen omdat appellant de eerdere twijfels over zijn hoofdverblijf niet heeft weggenomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak 1 aangevoerd dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres en dat het college ten onrechte op grond van de resultaten van het huisbezoek van 7 augustus 2013 heeft geconcludeerd dat onvoldoende persoonlijke bezittingen in zijn kamer aanwezig waren om het hoofdverblijf vast te stellen. Appellant kocht levensmiddelen per dag en gebruikte geen serviesgoed. Bovendien is het van het huisbezoek opgemaakte rapport onvolledig, aangezien daarin niet is vermeld dat er in zijn kamer een slaapapneu-apparaat lag. Tegen de aangevallen uitspraak 2 heeft appellant aangevoerd dat hij wel degelijk nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 4 juni 2013 tot en met 16 augustus 2013, de datum van het afwijzende besluit.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn hoofdverblijf te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. In geval van een aanvraag ligt het op de weg van de aanvrager om hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Tijdens het huisbezoek is vastgesteld dat nauwelijks persoonlijke spullen van appellant aanwezig waren. In de kamer die door appellant als zijn kamer is aangewezen, bevond zich slechts een beperkte hoeveelheid kleding, die niet in een kast werd bewaard. In de kamer van appellant bevond zich geen serviesgoed en was niets te eten en te drinken, terwijl appellant tijdens het huisbezoek te kennen heeft gegeven dat hij geen gebruik maakt van de keuken, woonkamer of andere kamers van de woning en daar ook geen spullen bewaarde. De enkele stelling van appellant dat hij per dag levensmiddelen kocht en geen serviesgoed gebruikt is in dit verband onvoldoende. Anders dan appellant heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het gedetailleerde rapport van het huisbezoek. Hiervoor heeft appellant geen aanknopingspunten aangedragen.

Aangevallen uitspraak 2

4.5.

Indien een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de betrokkene opnieuw een aanvraag indient, gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.6.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken van een verandering van omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin. Appellant heeft bij zijn aanvraag van

28 augustus 2013 dergelijke feiten of omstandigheden niet gesteld. Uit de door appellant in bezwaar overgelegde stukken, zoals bonnen van boodschappen, bewijzen van reizen met het openbaar vervoer en locatiebepalingen van zijn smartphone, kan niet worden afgeleid dat appellant vanaf de aanvraag daadwerkelijk zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Anders dan appellant betoogt, was het college op grond van wat appellant heeft aangedragen, niet gehouden nader onderzoek te verrichten.

Slotsom

4.7.

De hoger beroepen slagen niet. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd. Gelet hierop bestaat geen grond voor het toewijzen van het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) J.L. Meijer

HD