Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1528

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
15/1532 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plaatsing in andere functie. Bij elkaar genomen vormden de mogelijke verstoring van de stabiliteit bij team A. en de grotere kans van slagen van het verbetertraject bij een andere afdeling, voor het college een reëel en voldoende toereikend dienstbelang om appellant niet op zijn oude werkplek terug te laten keren en hem tijdelijk te plaatsen in die andere functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1532 AW

Datum uitspraak: 21 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

23 januari 2015, 14/2854 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.H.G.M. van den Boomen-Meeuwissen hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.J.M. Scheen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van Cruijningen en L.C.E. Ehlen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1983 in dienst bij de gemeente en vanaf 2002 werkzaam als [medewerker] bij het [team A.] in het [profiel] , functieschaal 9. Op 25 augustus 2011 is met appellant een traject afgesproken ter verbetering van zijn functioneren dat zal duren tot 1 december 2011. De eindevaluatie luidde dat zijn functioneren onvoldoende was verbeterd. Na een voornemen heeft het college bij besluit van 24 januari 2012 aan appellant met ingang van 1 februari 2013 ontslag verleend op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO), wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Vanaf 1 maart 2012 is appellant niet meer werkzaam als [medewerker] bij het [team A.] . Per 12 maart 2012 is appellant te werk gesteld bij het [team B.] en vanaf 1 mei 2012 is appellant tewerkgesteld bij de gemeente Brunssum. Bij besluit van 10 oktober 2013 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 januari 2012 gegrond verklaard en is dat besluit herroepen.

1.2.

Na een voornemen daartoe heeft het college bij besluiten van 5 december 2013 (besluit 1) en 20 december 2013 (besluit 2) appellant op grond van artikel 2:1B van de CAR/UWO voorlopig, respectievelijk definitief tijdelijk geplaatst in de functie van [medewerker] bij het [cluster D.] .

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen de besluiten 1 en 2 heeft het college bij besluit van

5 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat op grond van een onafhankelijk medewerkersonderzoek, uitgevoerd door

J. Schouten van Rijnconsult in 2012, is komen vast te staan dat het [team A.] verdeeld was in twee kampen en dat er sprake was van een ongezonde werksituatie. Volgens het college heeft het opvolgen van de aanbevelingen van Schouten ertoe geleid dat de situatie ten positieve is veranderd, maar is er eind 2013 nog geen sprake van een eindsituatie. Appellant was een onderdeel van de problemen die er speelden, maar niet de veroorzaker. Prikkels die terugkeer in oud gedrag kunnen veroorzaken, zoals de terugkeer van appellant, moeten worden voorkomen. Tevens is met de plaatsing in de functie van [medewerker] bij het [cluster D.] , [profiel] (schaal 9) aan appellant zowel een passende functie als een eerlijke kans geboden om zijn functioneren, waarin vanaf 2009 tekortkomingen waren vastgesteld en waarvoor in 2011 een verbetertraject was ingezet, op een voldoende niveau te brengen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Bij besluit van 23 februari 2015 heeft het college appellant met ingang van 1 maart 2015 definitief geplaatst in de tijdelijke functie van [medewerker] , team Ondersteuning bij het [cluster D.] .

4. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het college geen zwaarwegende argumenten en/of redelijke grond heeft aangedragen die een naar objectieve maatstaven gemeten dienstbelang rechtvaardigen om appellant te plaatsen in een ander team met een ander vakgebied. Appellant was ten tijde van het onderzoek door Schouten niet meer werkzaam bij het [team A.] en kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor de onrust binnen het team. Appellant betwijfelt of er van is afgezien rapport op te maken van dat onderzoek. Door het ontbreken van een onderzoeksverslag heeft hij geen kennis kunnen nemen van dat onderzoek en de uitkomsten daarvan, met als gevolg dat hij zich niet kan verweren tegen de inhoud en conclusies van dat onderzoek. De kritiek op zijn functioneren bij het [team A.] is ongefundeerd en daarom ontbrak een aanleiding voor een verbetertraject. Appellant heeft zijn functie bij dat team vele jaren verricht met steeds positieve beoordelingen. In de functie van [medewerker] bij de afdeling Sociale Zaken behandelt hij anders dan in zijn oude functie uitsluitend bezwaren en geen beroepen, waardoor er sprake is van uitholling van zijn taken en zijn carrièreperspectief is belemmerd. De functie die hij uitvoerde bij het [team A.] is inmiddels een schaal 10-functie geworden en hij beoogt thans een schadevergoeding te ontvangen voor het nadeel dat hij ondervindt als gevolg van de plaatsing.

5. Het college heeft in hoger beroep onder verwijzing naar een verklaring van

[naam adjunct-gemeentesecretaris 1] , adjunct-gemeentesecretaris/directeur van de gemeente Sittard-Geleen van 2 juni 2014, gesteld dat Schouten geen schriftelijk rapport heeft opgesteld van zijn onderzoek. In een teambijeenkomst op 11 oktober 2012 heeft Schouten mondeling verslag gedaan. Tijdens de hoorzitting op 7 juli 2014 in bezwaar is door [naam adjunct-gemeentesecretaris 1] meegedeeld en nadien steeds herhaald, dat appellant niet wordt gezien als de oorzaak van de problemen binnen het [team A.] . Wel had de onrust mede te maken met onvrede over de wijze waarop met appellant was omgegaan. Bij terugkeer zou die onrust mogelijk opnieuw de kop kunnen opsteken en het broze evenwicht dat inmiddels was bereikt tussen de medewerkers van het [team A.] verstoord kunnen worden. Het college heeft weersproken dat de oude functie van appellant bij het [team A.] inmiddels was ingedeeld in schaal 10.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het dienstbelang vorderde dat appellant tijdelijk werd geplaatst in de functie van [medewerker] bij het team Sociale Zaken.

6.2.

De Raad heeft in de stukken geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellant dat van het onderzoek van Schouten een schriftelijk verslag zou zijn opgemaakt. Uit de schriftelijke verklaring van [naam adjunct-gemeentesecretaris 1] van 2 juni 2014 en uit hetgeen hij heeft verklaard op de hoorzitting in bezwaar van 7 juli 2014, blijkt dat in 2012 bij het [team A.] sprake was van een ongezonde werksituatie die een risico vormde voor het functioneren van het team en dat de positie van appellant een onderdeel was van de problemen binnen het team. Dat die situatie ook al bestond op het moment dat appellant daar werkzaam was wordt bevestigd in een brief van 9 januari 2012 van tien medewerkers van het [team A.] . Die brief betreft een steunbetuiging voor appellant en de betrokken medewerkers vermelden daarin een gevoel van onzekerheid en onveiligheid te ervaren en te vrezen voor een ontslagprocedure.

6.3.

Gezien de schriftelijke verklaring van 2 juni 2014 van [naam adjunct-gemeentesecretaris 1] heeft het college zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat terugkeer van appellant het risico met zich kan brengen dat het evenwicht bij het [team A.] zou worden verstoord.

6.4.

De tweede pijler voor de plaatsing was de grotere kans van slagen van het verbetertraject voor het functioneren van appellant, omdat hij hiermee op een andere werkplek een nieuwe start kon maken. Dit is een belang van zowel het college als van appellant. Uit de verslagen van de voortgangsgesprekken die in de jaren 2009, 2010 en 2011 regelmatig met appellant zijn gevoerd over zijn functioneren, blijkt dat appellant telkens erop is gewezen dat hij hoofdtaken die tot zijn werkzaamheden behoorden niet uitvoerde. Van appellant werd naast het afhandelen van bezwaar- en beroepszaken, een proactieve en ondersteunende inbreng verwacht. Die taken hadden betrekking op het proces van vergunningverlening, zoals het interpreteren van beleid, regelgeving en vakinhoudelijke ontwikkeling ten behoeve van de toepassing en de directe juridische ondersteuning van de vergunningverleners, het opstellen van rapporten en het verrichten van werkzaamheden met betrekking tot de juridische kwaliteitszorg. In de brief van 25 augustus 2011 is het verbetertraject aangekondigd, dat daarna ook is aangevangen. In die brief zijn ook voorbeelden genoemd van knelpunten in het functioneren van appellant, zoals het niet nakomen van een afspraak op 7 september 2010 om te formuleren aan welke vakinhoudelijk eigenschappen en competenties een sparringpartner zou moeten voldoen; het niet voldoen aan de opdracht in november 2010 om de meest gestelde vragen te bundelen in een ‘FAQ-lijst’; het niet uitvoeren van de opdracht om vanuit casussen verbeteracties binnen het vergunningverleningsproces te signaleren en in kaart te brengen; het niet reageren, ook niet na een herinnering, op de vraag om uiterlijk 21 april 2011 een reactie te geven over de in te zetten koers van het team in samenhang met de organisatievisie “Eén stad, één organisatie” en het niet voldoen aan het dringende verzoek van 27 juni 2011 om de eerder gevraagde inventarisatie en analyse van verbeteracties in het vergunningverleningsproces aan te leveren. De stelling van appellant dat sprake was van ongefundeerde kritiek op zijn functioneren, kan dan ook niet worden gevolgd en treft geen doel.

6.5.

Bij elkaar genomen vormden de mogelijke verstoring van de stabiliteit bij het [team A.] en de grotere kans van slagen van het verbetertraject bij een andere afdeling, voor het college een reëel en voldoende toereikend dienstbelang om appellant niet op zijn oude werkplek terug te laten keren en hem tijdelijk te plaatsen in de functie van [medewerker] bij het [cluster D.] .

6.6.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2016.

(getekend) A. Beuker-Zijlstra

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD