Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1525

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
15/5767 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar een LFNP functie. De Regeling overgang naar een LFNP functie, en de Transponeringstabel mochten door appellant in geval van betrokkene analoog worden toegepast. De Transponeringstabel ontbeert het karakter van een algemeen verbindend voorschrift maar mag als grondslag dienen voor de besluitvorming. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling overgang naar een LFNP functie, is geschied of anderszins een onhoudbaar resultaat kent. De gegeven motivering van de matching is toereikend. Beroep op de hardheidsclausule faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5767 AW, 15/6021 AW

Datum uitspraak: 21 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 augustus 2015, 14/1797 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Betrokkene was werkzaam als Informatierechercheur bij het Bureau Infodesk van de (voormalige) politieregio Limburg-Zuid. Betrokkene was daarnaast vanaf 2008 werkzaam als Informatiecoördinator bij het Districtelijk Informatie Knooppunt van de Divisie Regionale Recherche. Met ingang van 1 juni 2012 is betrokkene belast met de waarneming van de functie van Districtelijk Informatiecoördinator bij het district Parkstad-Limburg.

1.3.

Bij besluit van 24 oktober 2011 is de uitgangspositie van betrokkene voor de omzetting naar het LFNP vastgesteld op de functie van Informatierechercheur, met als referentiefunctiebeschrijving Senior Informatievoorziening. Bij het aanvullend besluit uitgangspositie van 19 maart 2011 (lees: 2012) heeft de korpschef besloten betrokkenes uitgangspositie aan te vullen met de voor hem op de peildatum van 31 december 2011 geldende specifieke werkzaamheid (taakaccent) ‘Districtelijk informatiecoördinator (OIC) vanaf 2008’. Tegen deze besluiten heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van betrokkene besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Senior Intelligence, met als vakgebied Intelligence, gewaardeerd in salarisschaal 8. Daarnaast is in dit besluit vastgesteld dat er na

31 december 2011 een formele wijziging is geweest, in die zin dat betrokkene met ingang van 1 juni 2012 is belast met de waarneming van de functie van Districtelijk Informatiecoördinator, met als referentiefunctiebeschrijving Professional Informatierechercheur. Als gevolg van die formele wijziging wordt de aan betrokkene toegekende LFNP-functie met ingang van 1 juni 2012 gewijzigd in de LFNP-functie van Operationeel Expert Intelligence, met als vakgebied Intelligence, gewaardeerd in

salarisschaal 9.

1.5.

Bij besluit van 25 april 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van

16 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft vooropgesteld dat het aan haar voorgelegde geschil enkel betrekking heeft op de door betrokkene vanaf 1 juni 2012 op basis van waarneming uitgevoerde werkzaamheden, en daarmee op het wijzigingsbesluit. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het de korpschef niet vrij staat om de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) en de transponeringstabel (TPT) analoog van toepassing te achten op wijzigingsbesluiten. Nu de Regeling en de TPT niet op de onderhavige procedure van toepassing zijn, geldt niet het toetsingskader zoals geformuleerd in de onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015. Er moet worden aangeknoopt bij de vaste rechtspraak van de Raad inzake de inpassing van functies in een ander functiehuis. Aangezien de korpschef zijn besluitvorming ten onrechte heeft gebaseerd op de Regeling en de TPT en in het bestreden besluit inhoudelijk geen aandacht heeft besteed aan de (onderbouwing en de juistheid van de) omzetting van de functie van betrokkene naar een functie uit het LFNP, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit lijdt aan een gebrek en voor vernietiging in aanmerking komt. Nu niet is gebleken dat de inpassing van de waargenomen korpsfunctie van betrokkene in de LFNP-functie van Operationeel Expert Intelligence onhoudbaar is, heeft de rechtbank echter aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

3.1.

Het hoger beroep van de korpschef is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de korpschef zijn besluitvorming ten onrechte heeft gebaseerd op de Regeling en de TPT en in het bestreden besluit inhoudelijk geen aandacht heeft besteed aan de (onderbouwing en de juistheid van de) omzetting van de functie van betrokkene naar een functie uit het LFNP, zodat het bestreden besluit in zoverre lijdt aan een gebrek.

3.2.

Het hoger beroep van betrokkene strekt er, samengevat, toe te betogen dat wijzigingsbesluiten als hier aan de orde een juridische grondslag ontberen en dat het de korpschef niet vrij staat om de Regeling en de TPT analoog van toepassing te achten op dergelijke besluiten.

4. De hoger beroepen lenen zich voor gezamenlijke beoordeling. De Raad overweegt in dat kader het volgende.

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de Raad in zijn onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat er aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de Regeling zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten en dat de in de bijlage bij de Regeling opgenomen TPT, hoewel deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende.

4.2.

Met verwijzing naar zijn uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4098, stelt de Raad voorts voorop dat de wetgever in materiële zin er expliciet voor heeft gekozen om de werking van de Regeling te beperken tot korpsfuncties uitgeoefend tot en met

31 december 2011. De Regeling heeft geen betrekking op korpsfuncties die zijn verworven vanaf 1 januari 2012. Voor het wijzigen van de uitgangspositie voor korpsfuncties die vanaf

1 januari 2012 zijn verworven, was op grond van de Regeling geen plaats. Ook kon voor deze functies geen functieonderhoud meer worden aangevraagd. Dit betekent dat de korpschef bij het besluit van 16 december 2013 terecht en in overeenstemming met de uitgangspositie van betrokkene - de functie van Informatierechercheur, met als referentiefunctiebeschrijving Senior Informatievoorziening, met als specifieke werkzaamheid (taakaccent) ‘Districtelijk informatiecoördinator (OIC) vanaf 2008’ (salarisschaal 8) - heeft vastgesteld dat betrokkene, met ingang van 1 januari 2012 is overgegaan naar de LFNP-functie van Senior Intelligence, met als vakgebied Intelligence (salarisschaal 8). Dat betrokkene bij het besluit van

16 december 2013, als gevolg van de met ingang van 1 juni 2012 verworven korpsfunctie van Districtelijk Informatiecoördinator, met als referentiefunctiebeschrijving Professional Informatierechercheur, met ingang van die datum is overgegaan naar de LFNP-functie van Operationeel Expert Intelligence, met als vakgebied Intelligence (salarisschaal 9), is het gevolg van de beslissing van de korpschef om de Regeling en de TPT analoog toe te passen.

4.3.

Betrokkene heeft gesteld dat de korpschef er bij het wijzigingsbesluit ten onrechte aan voorbij is gegaan dat hij met ingang van 1 juli 2012 feitelijk de werkzaamheden behorende bij de functie van Operationeel Specialist B verrichtte. Hij meent dat de korpschef met die feitelijke werkzaamheden rekening had moeten houden en hem de LFNP-functie van Operationeel Specialist B (salarisschaal 10) had moeten toekennen.

4.4.

De Raad stelt vast dat de analoge toepassing van de Regeling en de TPT betrekking heeft op de gevallen waarbij een formele wijziging van de korpsfunctie vanaf 1 januari 2012 heeft plaatsgevonden. Betrokkene heeft zich, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, op zichzelf niet verzet tegen de analoge toepassing in zijn geval, resulterend in een wijzigingsbesluit per

1 juni 2012. Betrokkene is echter van opvatting dat de korpschef bij het nemen van het wijzigingsbesluit ook rekening had moeten houden met zijn feitelijke werkzaamheden, die volgens hem verschillen van de werkzaamheden die behoren tot de LFNP-functie van Senior Intelligence, met als vakgebied Intelligence en die volgens hem tot toekenning van de

LFNP-functie van Operationeel Specialist B (salarisschaal 10) hadden moeten leiden. De Raad deelt die opvatting niet. Daar waar de geldende regelgeving zelfs met formele wijzigingen vanaf 1 januari 2012 geen rekening houdt, is er geen grond de korpschef gehouden te achten om daarnaast ook vermeende verschillen als hiervoor vermeld in zijn besluitvorming mee te nemen (vergelijk de meergenoemde uitspraak van de Raad van

19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4098). De stelling van betrokkene dat hij al sinds

1 juli 2012 feitelijk de werkzaamheden behorende bij de functie van Operationeel Specialist B verrichtte kan dan ook niet slagen. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins een onhoudbaar resultaat kent. Zoals hiervoor - onder 4.1 - al is overwogen, is de enkele stelling dat een andere uitkomst van de matching ook verdedigbaar zou zijn geweest niet voldoende voor die conclusie.

4.5.

Het betoog van betrokkene dat zijn beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in

artikel 5, vierde lid, van de Regeling ten onrechte is verworpen, slaagt evenmin. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door betrokkene naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie in de zin van deze bepaling.

4.6.

Ter voorlichting van partijen, en voor dit geding strikt genomen ten overvloede, merkt de Raad ten slotte nog op dat hij in zijn uitspraak van 21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:260, heeft geoordeeld dat de korpschef de Regeling en de TPT analoog heeft mogen toepassen op aanstellingen of wijzigingen in een korpsfunctie vanaf

1 januari 2012.

4.7.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep van de korpschef slaagt en dat van betrokkene niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 april 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) P.W.J. Hospel

HD