Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
15/2613 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eervol ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het ambt. Gewetensbezwaren. De structureel door appellant gevoelde gewetensbezwaren tegen de hem opgedragen werkzaamheden rechtvaardigen de conclusie, dat het appellant ontbreekt aan eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die vereist zijn voor het op een goede wijze vervullen van zijn functie. Van onvoldoende bedenktijd dan wel onzorgvuldig handelen van de minister is geen sprake. De minister heeft in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de ontslagbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2613 AW

Datum uitspraak: 21 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

18 maart 2015, 13/5860 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.L. van der Geest hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. T. Hoekstra. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E. Nederlof, mr. K. Schaafsma en drs. L. Harteveld.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 1 april 2012 aangesteld als [naam functie] bij de [dienst 1] van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en was werkzaam bij de [afdeling]. De nadruk van zijn werkzaamheden lag op het verzamelen van [politieke inlichtingen]. Kort nadat appellant met zijn werkzaamheden is aangevangen, heeft hij zijn leidinggevende te kennen gegeven moeite te hebben met de uitvoering van bepaalde opdrachten. Op aanraden van zijn leidinggevende is appellant hierover in gesprek gegaan met enkele collega’s met dezelfde functie en dezelfde culturele achtergrond. Daarna heeft appellant opnieuw gesproken met zijn leidinggevende en te kennen gegeven dat hij er nog niet uit was. Bij besluit van 4 mei 2012 heeft de minister aan appellant buitengewoon verlof van korte duur verleend met behoud van bezoldiging. Dit verlof werd aan appellant verleend om hem de gelegenheid te bieden zich te beraden op zijn functie. Bij besluit van 29 mei 2012 heeft de minister het buitengewoon verlof verlengd. Daarvoor is als reden gegeven dat appellant in diverse gesprekken met zijn leidinggevende en collega’s te kennen heeft gegeven gewetensbezwaren te hebben tegen de uitoefening van elementen van de aan hem opgedragen werkzaamheden. Zowel appellant als zijn leidinggevende hebben geconcludeerd dat deze gewetensbezwaren structureel van aard zijn, en zodanig dat die een verdere uitoefening van zijn functie, of enige andere functie bij de organisatie, in de weg staan. In het besluit is verder vermeld dat appellant tot 1 december 2012 in de gelegenheid wordt gesteld een andere functie te vinden, waarbij hij waar mogelijk zal worden ondersteund door de minister. Tegen de besluiten van 4 mei en 29 mei 2012 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. Met ingang van 1 oktober 2012 is appellant gedetacheerd bij de [dienst 2]. Bij besluit van 19 november 2012 heeft de minister het buitengewoon verlof verlengd tot 1 april 2013. De detachering is per

1 april 2013 door de [dienst 2] beëindigd.

1.2.

Nadat de minister zijn voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft de minister appellant bij besluit van 24 april 2013 eervol ontslag verleend met ingang van 1 april 2013. Daaraan is ten grondslag gelegd, voor zover van belang, dat appellant onbekwaam of ongeschikt is voor het door hem beklede ambt anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

1.3.

Bij besluit van 8 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 24 april 2013 ongegrond verklaard. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de gewetensbezwaren van appellant hem niet alleen onbekwaam of ongeschikt maken voor het uitoefenen van zijn eigen functie, maar dat die bezwaren ook in de weg staan aan het vervullen van andere functies binnen de [dienst 1]. De minister verwacht van medewerkers zoals appellant, die [de taal] goed beheersen, dat zij flexibel en organisatiebreed inzetbaar zijn. Daarbij komt dat de [dienst 1] geen enkel risico kan nemen wanneer er twijfels bestaan aan de loyaliteit van een medewerker en dat de betrouwbaarheid van de door de medewerker verkregen informatie niet mag worden betwijfeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de gedragingen van appellant, te weten het uiten van zijn loyaliteitsproblemen/gewetensbezwaren, de conclusie rechtvaardigen dat het hem ontbreekt aan enige belangrijke eigenschappen, mentaliteit en/of instelling voor de vervulling van zijn functie en dat appellant daarom ongeschikt is voor zijn functie. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat loyaliteitsproblemen een risico kunnen vormen voor de [dienst 1], aangezien dit een organisatie is waarbij met zeer gevoelige en vertrouwelijke informatie wordt gewerkt en dat over de juistheid van de verkregen informatie geen enkele twijfel mag bestaan. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de minister appellant voldoende gelegenheid heeft gegeven om zich te beraden op zijn gewetensbezwaren en de mate waarin deze aan de uitoefening van zijn functie in de weg staan. Derhalve heeft de minister in redelijkheid gebruik kunnen maken van de ontslagbevoegdheid.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 5 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2689) moet de ongeschiktheid waarop deze bepaling doelt, zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn.

4.2.

In hoger beroep heeft appellant betoogd geen gewetensbezwaren te hebben gehad. Dit betoog slaagt niet. Uit de gedingstukken volgt dat appellant binnen enkele weken na zijn aanstelling te kennen heeft gegeven dat hij problemen had met een deel van de hem opgedragen werkzaamheden, namelijk met het vergaren van politieke inlichtingen. In het besluit van 29 mei 2012, waartegen appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend, is vermeld dat appellant in diverse gesprekken met zijn leidinggevende en collega’s heeft aangegeven gewetensbezwaren te hebben tegen een deel van de hem opgedragen taken en dat zowel appellant als zijn leidinggevende hebben geconcludeerd dat deze gewetensbezwaren structureel van aard zijn. De Raad leidt hieruit af dat beide partijen destijds de problemen van appellant met het vergaren van politieke inlichtingen hebben benoemd als gewetensbezwaren. Dat hij destijds problemen had met het vergaren van politieke inlichtingen wordt door appellant niet betwist. Dat hij in hoger beroep voor die problemen niet langer de term gewetensbezwaren wenst te hanteren, leidt er niet toe dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De Raad zal overigens in het vervolg van deze uitspraak, in lijn met wat in het besluit van 29 mei 2012 is vermeld, voor de problemen van appellant met de uitoefening van zijn functie de term gewetensbezwaren gebruiken.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in juni 2012 aan zijn leidinggevende te kennen heeft gegeven dat hij terug wilde komen in zijn functie en dat hij inmiddels begreep waarom politieke inlichtingen werden ingewonnen. Appellant heeft aangevoerd dat daarom niet gezegd kan worden dat hij ten tijde van het verlenen van het ontslag ongeschikt was voor het vervullen van zijn functie. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant is bij het besluit van

4 mei 2012 de gelegenheid gegeven zich te beraden op zijn functie en in het besluit van

29 mei 2012 is vermeld dat beide partijen tot de conclusie zijn gekomen dat de gewetensbezwaren van appellant structureel van aard zijn, en zodanig dat die een verdere uitoefening van zijn functie, of enige andere functie bij de organisatie, in de weg staan. Tegen beide besluiten heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend. Gelet daarop ligt het op de weg van appellant aannemelijk te maken dat ten tijde van het verlenen van het ontslag van gewetensbezwaren als bedoeld in het besluit van 29 mei 2012 geen sprake meer was. Appellant is daar niet in geslaagd. De inhoud van de mededeling van appellant aan zijn leidinggevende is daarvoor onvoldoende. Uit die mededeling blijkt immers niet dat appellant geen gewetensbezwaren meer had en dat hij in staat en bereid was de hem opgedragen werkzaamheden zonder enig voorbehoud te verrichten.

4.4.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de structureel door appellant gevoelde gewetensbezwaren tegen de hem opgedragen werkzaamheden de conclusie rechtvaardigen, dat het appellant ontbreekt aan eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die vereist zijn voor het op een goede wijze vervullen van zijn functie. De Raad deelt in dit verband voorts het oordeel van de minister, dat het in dienst houden van appellant, gezien zijn gewetensbezwaren, een veiligheidsrisico zou inhouden, nu door die gewetensbezwaren onvoldoende zeker is dat appellant onder alle omstandigheden voldoet aan de zeer hoge betrouwbaarheidseisen die zijn functie bij de [dienst 1] stelt. Van belang is dat alle werkzaamheden bij de [dienst 1] strekken tot bescherming van de nationale veiligheid en dat van bij de [dienst 1] werkzame personen volledige loyaliteit wordt verwacht zodat geen enkele twijfel bestaat over de juistheid van de verkregen informatie. Verder bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de minister dat medewerkers, zoals appellant, die [de taal] goed beheersen, schaars zijn en dat zij daarom binnen de [dienst 1] flexibel en breed moeten kunnen worden ingezet. De gewetensbezwaren staan daarom ook een functie-aanpassing of een tewerkstelling bij een andere eenheid van de [dienst 1] in de weg. De minister was derhalve bevoegd appellant met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR te ontslaan.

4.5.

Het betoog van appellant dat hij te weinig bedenktijd heeft gehad en onvoldoende is begeleid door de minister, slaagt niet. Appellant heeft bedenktijd gekregen en hij heeft nadien niet om verlenging gevraagd. Van onvoldoende bedenktijd dan wel onzorgvuldig handelen van de minister is derhalve geen sprake. Dit betekent dat de minister in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de ontslagbevoegdheid.

4.6.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in stand kan blijven. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD