Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1500

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
15/3676 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Appellante is niet afgehouden tot het doen van een aanvraag. Niet valt in te zien dat het college appellante in het kader van haar bezwaar tegen het besluit ... tot ambtshalve wijziging van het (post)adres van appellante in de GBA erop had moeten wijzen dat zij ook zonder geldige adresregistratie bijstand kon aanvragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3676 WWB

Datum uitspraak: 26 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 april 2015, 14/5889 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A. Neslo, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Namens appellante is verschenen mr. Neslo. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.D. Klasen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij brief van 22 september 2011 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) appellante meegedeeld dat haar WW-uitkering op 2 november 2011 zal eindigen. In deze brief heeft het Uwv tevens vermeld dat appellante mogelijk na afloop van de WW-uitkering aanspraak kan maken op een (aanvullende) bijstandsuitkering en dat zij deze uitkering zelf dient aan te vragen.

1.2.

Op 11 oktober 2011 heeft appellante het college verzocht haar in te schrijven op het briefadres [adres 1] te Almere. Bij dit verzoek heeft appellante te kennen gegeven dat zij de komende maanden verblijft op de adressen [adres 2], [adres 1] en

[adres 3] te [woonplaats]. Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college dit verzoek afgewezen, aangezien appellante naar het oordeel van het college kan beschikken over een woon- en/of verblijfadres. Bij besluit van 21 november 2011 heeft het college het (post)adres van appellante in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans: basisregistratie personen) met ingang van die datum ambtshalve gewijzigd wegens vertrek met onbekende bestemming. Tegen dit besluit heeft appellante op 24 november 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1902, voor zover van belang, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het besluit van 21 november 2011 herroepen en bepaald dat appellante voor de periode van 21 november 2011 tot 16 augustus 2012 haar adres had op de [adres 1] te [woonplaats].

1.3.

Appellante heeft op 3 augustus 2012 bijstand aangevraagd ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op het aanvraag/inlichtingenformulier heeft zij vermeld vanaf oktober/november 2011 geen inkomsten te hebben. Zij heeft verzocht met ingang van

3 augustus 2012 in aanmerking te komen voor bijstand. Bij besluit van 27 augustus 2012 heeft het college aan appellante met ingang van 3 augustus 2012 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Appellante heeft tegen de ingangsdatum geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Op 22 januari 2014 heeft appellante een klacht ingediend bij het college met betrekking tot de betaling van de proceskosten en het griffierecht in verband met de onder 1.2 genoemde uitspraak van de ABRvS. Zij heeft in de klachtbrief tevens kenbaar gemaakt schadevergoeding te willen hebben voor de vijf maanden dat zij geen bijstand kon aanvragen. Nadat een medewerker van de gemeente Almere bij brief van 24 januari 2014 op deze klacht had gereageerd, heeft appellante bij brief van 29 januari 2014 kenbaar gemaakt alsnog bijstand te willen aanvragen over de periode van 21 november 2011 tot en met 16 augustus 2012. Vervolgens heeft appellante zich op 6 februari 2014 gemeld om bijstand aan te vragen en op 26 maart 2014 bijstand aangevraagd met terugwerkende kracht over de periode van

21 november 2011 tot 3 augustus 2012 (periode in geding). Appellante heeft hierbij vermeld dat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij, in verband met het ontbreken van een briefadres, geen bijstand kon aanvragen. Gelet op de onder 1.2 vermelde uitspraak van de ABRvS stelt zij alsnog vanaf 21 november 2011 aanspraak te maken op bijstand.

1.5.

Bij besluit van 14 april 2014 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante zich niet tijdig bij het college heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Niet gebleken is dat appellante zich in

november 2011, dan wel binnen vijf werkdagen na ontvangst van de uitspraak van de ABRvS bij het college heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

1.6.

Bij besluit van 1 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Van zulke omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan dat betrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indien is gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld onder 4.1, omdat het college heeft geweigerd haar een briefadres te verstrekken en zij - naar aanleiding van het hiertegen gemaakte bezwaar - ten onrechte niet is gewezen op de mogelijkheid tot het aanvragen van bijstand zonder geldige adresregistratie.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft zich na de onder 1.1 vermelde brief van het Uwv van 22 september 2011 niet gemeld om bijstand aan te vragen, noch nadien enige actie ondernomen richting Uwv of college voor het indienen van een bijstandsaanvraag. De gedingstukken bieden dan ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante door toedoen van het Uwv of het college is afgehouden van het indienen van een aanvraag. Ook het beroep van appellante op de uitspraak van 30 juni 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD5841) slaagt niet. In die zaak werden bijzondere omstandigheden aangenomen om over te gaan tot bijstandsverlening met terugwerkende kracht, nu de betrokkene het college schriftelijk had verzocht om hulp in verband met zijn financiële situatie - waarbij werd gerefereerd aan een eerder tussen partijen bestaande bijstandsrelatie - en het college hier niet op adequate wijze op had gereageerd. Die situatie is niet vergelijkbaar met onderhavige situatie. Weliswaar maakt appellante in het schrijven van 24 november 2011 melding van haar financiële situatie, maar dit schrijven was gericht op het maken van bezwaar tegen het in 1.1 genoemde besluit van

21 november 2011. Het bezwaarschrift kan niet worden gezien als een hulpvraag voor het indienen van een aanvraag om bijstand. Niet valt in te zien dat het college appellante in het kader van haar bezwaar tegen het besluit van 21 november 2011 tot ambtshalve wijziging van het (post)adres van appellante in de GBA erop had moeten wijzen dat zij ook zonder geldige adresregistratie bijstand kon aanvragen.

4.4.

Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij reeds vóór het indienen van de klacht op 22 januari 2014 veelvuldig contact heeft gehad met het college over de uitbetaling van bijstand met terugwerkende kracht en dat het college niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het door hem gevoerde beleid.

4.5.

Het college hanteert het beleid dat, indien zich een situatie voordoet dat sprake is van een voorliggende voorziening die aangesproken kan worden of kan aflopen, de belanghebbende zich binnen vijf werkdagen na ontvangst van het bericht van weigering of beëindiging van de voorliggende voorziening moet melden, opdat de toekenning van bijstand kan aansluiten op de einddatum van de voorliggende voorziening. Het college heeft dit beleid in het onderhavige geval van overeenkomstige toepassing geacht, in die zin dat als appellante zich binnen vijf dagen na de uitspraak van de ABRvS had gemeld om met terugwerkende kracht bijstand aan te vragen, bijzondere omstandigheden zouden kunnen worden aangenomen die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

4.6.

Vooropgesteld dient te worden dat sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2509) betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. Anders dan appellante heeft gesteld, is niet gebleken dat zij zich al voor het indienen van de klacht op 22 januari 2014 had gemeld om bijstand aan te vragen over de periode in geding. Wat er ook zij van de door appellante bedoelde contacten vóór 22 januari 2014, zij heeft niet eerder dan bij de op 22 januari 2014 ingediende klacht concreet aangegeven dat zij aanspraak wilde maken op bijstand over de periode in geding en heeft zich pas op 6 februari 2014 gemeld om bijstand aan te vragen. Het college heeft dan ook terecht aangenomen dat appellante zich niet binnen vijf dagen na de uitspraak van de ABRvS heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand met terugwerkende kracht en - in samenhang hiermee - zich terecht op het standpunt gesteld dat op basis van het buitenwettelijk begunstigend beleid geen aanleiding bestaat voor het aannemen van bijzondere omstandigheden voor het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) R.G. van den Berg

HD