Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1464

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
15/2500 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Woonplaats niet in gemeente Zoetermeer. Extreem laag waterverbruik. Dat de gemeente Rotterdam naar aanleiding van de besluitvorming ten aanzien van appellant onderzoek heeft verricht naar de rechtmatigheid van de aan de partner van appellant verleende bijstand, maar geen aanleiding heeft gezien om diens bijstand in te trekken, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het gaat in dit geding immers niet om de vraag of appellant met zijn partner in Rotterdam een gezamenlijke huishouding voerde maar om de vraag of appellant zijn hoofdverblijf al dan niet in de woonplaats had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2500 WWB, 15/4408 WWB

Datum uitspraak: 19 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

2 maart 2015, 14/9117 (aangevallen uitspraak 1), en 13 mei 2015, 14/11554 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.A.C. van Kempen, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kempen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 18 juli 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Appellant stond vanaf 19 april 2004 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans: basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [opgegeven woonadres] te [woonplaats 2] (opgegeven woonadres). Vanaf 9 januari 2007 stond in de GBA op dat adres ook [naam N] (N), een aangetrouwde neef, ingeschreven.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant vermoedelijk niet woonachtig is binnen de gemeente Zoetermeer , heeft een sociaal rechercheur, werkzaam bij de gemeente Zoetermeer , een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur dossieronderzoek verricht, facebook- en marktplaatsgegevens van appellant geraadpleegd, waterverbruiksgegevens opgevraagd, samen met een collega een huisbezoek aan het opgegeven woonadres gebracht, diverse buurtbewoners gehoord en appellant tweemaal verhoord. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 19 mei 2014.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 19 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 augustus 2014 (bestreden besluit 1), de bijstand met ingang van 1 mei 2014 beëindigd (lees: ingetrokken). Voorts heeft het college bij besluit van 11 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 november 2014 (bestreden besluit 2), de bijstand over de periode van 18 juli 2012 tot en met 30 april 2014 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 19.940,17 teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant zijn hoofdverblijf niet in de gemeente Zoetermeer heeft en het college hiervan in strijd met zijn inlichtingenverplichting niet in kennis heeft gesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periodes lopen van 18 juli 2012 tot en met 30 april 2014 (periode 1) en van 1 mei 2014 tot en met 19 mei 2014 (periode 2).

4.2.

De besluiten tot beëindiging, intrekking en terugvordering van bijstand zijn voor de betrokkene belastende besluiten, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden hiervoor is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Periode 1

4.4.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellant in periode 1 zijn hoofdverblijf niet had in [woonplaats 2] .

4.4.1.

De rechtbank heeft daarbij allereerst acht kunnen slaan op de bevindingen van het huisbezoek. Bij het huisbezoek op 1 mei 2014 is nagenoeg geen kleding, geen administratie en geen medicatie van appellant aangetroffen. In het nachtkastje dat van appellant zou zijn, lag administratie van N. De stelling dat in zijn woning nagenoeg geen kleding is aangetroffen omdat hij recent veel is afgevallen, heeft appellant ook in hoger beroep niet nader onderbouwd. De stelling dat het grotendeels ontbreken van kleding in de woning mede zou zijn te verklaren omdat appellant de was elders zou doen, komt voorts niet overeen met de verklaring van appellant op 1 mei 2014 dat hij en N de wasmachine hooguit eenmaal in de twee weken gebruikten.

4.4.2.

De rechtbank heeft voorts betekenis kunnen toekennen aan het feit dat twee buurtbewoners onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat op het opgegeven woonadres alleen een buitenlandse man woont die taxichauffeur is. Dat de buurtbewoners appellant niet hebben herkend van de getoonde foto omdat hij een zeer teruggetrokken bestaan leidt en recentelijk is afgevallen, heeft de rechtbank in het licht van de overige onderzoeksbevindingen alsmede gelet op hun specifieke verklaring dat er op het adres één persoon woont die taxichauffeur is, niet aannemelijk kunnen achten. Appellant heeft voorts weliswaar ter zitting nog gesteld dat één van de door het college gebruikte verklaringen is afgelegd door een verstandelijk gehandicapte buurman, maar appellant heeft deze stelling niet nader onderbouwd, zodat daarin geen grond is gelegen om de verklaring van de betreffende buurtbewoner buiten beschouwing te laten.

4.4.3.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat aan de verklaring van een voormalige buurman, [naam A] , dat hij en appellant buren waren aan de [naam A] , niet de waarde toekomt die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Deze buurman was immers al verhuisd vóór de periode in geding.

Periode 2

4.5.

De rechtbank heeft voorts op goede gronden geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellant in periode 2 zijn hoofdverblijf niet had in [woonplaats 2] .

4.5.1.

De rechtbank heeft daarbij zwaarwegende betekenis kunnen toekennen aan het lage waterverbruik in de woning op het opgegeven woonadres. Niet in geschil is dat het waterverbruik ook voor een eenpersoonshuishouden op het woonadres extreem laag is, terwijl appellant zich op het standpunt stelt dat hij en N beiden op dat adres woonachtig zijn geweest in periode 2. De in hoger beroep voor dit lage waterverbruik gegeven verklaring dat appellant ter besparing van kosten veel elders douchte, zijn was door zijn moeder liet doen en geen water gebruikte om te koken, heeft de rechtbank terecht in het licht van het extreem lage verbruik, niet aannemelijk geacht.

4.5.2.

In hoger beroep heeft appellant nog een verklaring van N van 15 april 2015 overgelegd, inhoudende dat in ieder geval vanaf 2006 appellant als hoofdbewoner op het opgegeven woonadres een vaste woonplaats heeft. Nog daargelaten dat N pas vanaf 9 januari 2007 in de GBA op dat adres staat ingeschreven, kan uit deze verklaring niet worden afgeleid dat appellant in periode 2 zijn hoofdverblijf had op het opgegeven woonadres. Daarvoor is deze verklaring in te algemene bewoordingen gesteld. Bovendien ziet de verklaring niet specifiek op de te beoordelen periode.

4.5.3.

Dat de gemeente Rotterdam naar aanleiding van de besluitvorming ten aanzien van appellant onderzoek heeft verricht naar de rechtmatigheid van de aan de partner van appellant verleende bijstand, maar geen aanleiding heeft gezien om diens bijstand in te trekken, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het gaat in dit geding immers niet om de vraag of appellant met zijn partner in Rotterdam een gezamenlijke huishouding voerde maar om de vraag of appellant zijn hoofdverblijf al dan niet in [woonplaats 2] had.

4.6.

Nu de in 4.4 tot en met 4.5 vermelde onderzoeksbevindingen reeds een toereikende grondslag bieden om de bijstand over periode 1 en periode 2 in te trekken, kunnen de gronden van appellant die zien op de overige onderzoeksbevindingen buiten bespreking blijven. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD