Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
25-04-2016
Zaaknummer
15/4576 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Hoofdverblijf niet op uitkeringsadres. Het gaat om merendeel van de dagelijkse activiteiten op een ander adres. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant op 24 mei 2013 afgelegde verklaring geen vervolg is op het huisbezoek en daar niet onlosmakelijk mee is verweven. Het gesprek van 24 mei 2013 volgde weliswaar kort na het huisbezoek van 22 mei 2013, maar uit het gespreksverslag blijkt dat het gesprek tot doel had om het recht op bijstand (opnieuw) vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4576 WWB

Datum uitspraak: 19 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2015, 14/970 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G. Wiebes, advocaat, hoger beroep ingesteld. Daarbij is tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wiebes. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 11 november 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Met ingang van 23 april 2013 staat appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen) ingeschreven op het adres

[woonadres] te [woonplaats] (woonadres). Daarvoor stond hij ingeschreven op het adres van zijn ouders.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal dat appellant was verhuisd heeft het college een onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek is appellant bij brief van 24 april 2013 uitgenodigd voor een gesprek op 2 mei 2013. Appellant is niet verschenen. Hierna hebben in de periode van 2 mei 2013 tot en met 22 mei 2013 een aantal waarnemingen plaatsgevonden bij het woonadres. Appellant is daarbij niet gesignaleerd. Op 17 mei 2013 is telefonisch contact geweest met appellant en op 22 mei 2013 heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Appellant is bij het huisbezoek niet aangetroffen op woonadres. Wel aanwezig was de hoofdbewoonster die de kamer van appellant heeft laten zien. Bij brief van 22 mei 2013 is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 24 mei 2013. Appellant heeft aan deze uitnodiging gehoor gegeven en een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

30 mei 2013.

1.3.

Bij besluit van 17 juni 2013 heeft het college de bijstand met ingang van 23 april 2013 ingetrokken. Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college de over de periode van 23 april 2013 tot en met 31 mei 2013 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 837,24.

1.4.

Bij besluit van 13 januari 2013 (lees: 2014, bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 17 en 25 juni 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 23 april 2013 zijn hoofdverblijf niet heeft gehad op het woonadres en dat hij door daarvan geen melding te maken de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor zijn recht op bijstand niet meer is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, maar dat de onderzoeksresultaten een toereikende grondslag bieden voor het oordeel dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet op het woonadres had. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich daarbij terecht gebaseerd op de verklaring die appellant op 24 mei 2013 heeft afgelegd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de beroepsgrond dat het huisbezoek van 22 mei 2013 deels onrechtmatig is geweest niet kan leiden tot het door appellant gewenste resultaat, aangezien niet is gebleken dat de verklaring van appellant een vervolg is op het huisbezoek en onlosmakelijk verbonden is met de bevindingen van het onrechtmatige deel van het huisbezoek.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt hier van 23 april 2013, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 17 juni 2013, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Anders dan appellant stelt, heeft de rechtbank op basis van de verklaring die appellant op 24 mei 2013 heeft afgelegd, terecht geoordeeld dat het college op goede gronden heeft aangenomen dat appellant in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het woonadres. Appellant heeft op 24 mei 2013 verklaard dat hij vanaf 23 april 2013 slechts tweemaal op het woonadres heeft geslapen en dat hij vaak bij zijn ouders en oma verbleef en soms bij zijn vriend in Amsterdam. Douchen, wassen, eten, et cetera deed hij, volgens zijn verklaring, de afgelopen weken bij zijn ouders, oma en vriend.

4.5.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij pas op 30 april 2013 daadwerkelijk is verhuisd en dat hij vóór 30 april slechts twee keer op het woonadres heeft geslapen, maar na 30 april veel vaker. Daargelaten dat in beginsel mag worden uitgegaan van een door medewerkers van het betrokken bestuursorgaan opgemaakt verslag van een afgelegde verklaring, ook als van de inhoud van die verklaring later geheel of gedeeltelijk wordt teruggekomen, is in de gegeven omstandigheden het exacte aantal nachten dat appellant op het woonadres sliep niet van doorslaggevende betekenis. Van belang is dat, zoals appellant heeft verklaard, het merendeel van zijn dagelijkse activiteiten niet plaatsvonden op het woonadres, maar hoofdzakelijk elders. De rechtbank heeft het college dan ook terecht gevolgd in zijn conclusie dat appellant in de te beoordelen periode het centrum van zijn maatschappelijk leven niet op het woonadres had. De omstandigheden dat appellant is verhuisd in verband met problemen in de familiesfeer en dat hij bij diverse personen dan wel op wisselende adressen heeft verbleven in verband met de onhygiënische omstandigheden op het woonadres, doen aan deze conclusie niet af.

4.6.

De beroepsgrond dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van het huisbezoek, treft evenmin doel. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK8928) verzet geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel zich ertegen dat het bijstandverlenend orgaan na een onrechtmatig huisbezoek een nader onderzoek instelt naar de rechtmatigheid van verleende of nog te verlenen bijstand en de bevindingen van een dergelijk onderzoek bij de beoordeling van het recht op bijstand betrekt. Dat betekent dat de omstandigheid dat een huisbezoek onrechtmatig is, in beginsel niet meebrengt dat de bevindingen uit een nader onderzoek niet mogen worden gebruikt bij de beoordeling van het recht op bijstand van degene jegens wie dat huisbezoek onrechtmatig is. Dit is anders indien het bijstandverlenend orgaan in redelijkheid geen gebruik kon maken van de bevoegdheid tot het instellen van een nader onderzoek of van de daardoor verkregen onderzoeksresultaten, gelet op de wijze waarop dat in het concrete geval is gebeurd. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant op 24 mei 2013 afgelegde verklaring geen vervolg is op het huisbezoek en daar niet onlosmakelijk mee is verweven. Het gesprek van 24 mei 2013 volgde weliswaar kort na het huisbezoek van 22 mei 2013, maar uit het gespreksverslag blijkt dat het gesprek tot doel had om het recht op bijstand (opnieuw) vast te stellen. Gesproken is over uiteenlopende onderwerpen, zoals de deelname van appellant aan het traject bij ‘Concern voor werk’, zijn vakanties, zijn bankrekeningen en zijn woonsituatie. Appellant is tijdens het gesprek niet geconfronteerd met de bevindingen van het huisbezoek. De rechtbank kon derhalve in het midden laten of het huisbezoek onrechtmatig was of niet.

4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat ten gevolge van de schending van de op appellant rustende inlichtingenverplichting ten aanzien van zijn woonsituatie het recht op bijstand niet was vast te stellen. Het college was dan ook bevoegd de bijstand van appellant over de te beoordelen periode in te trekken met ingang van 23 april 2013. Wat appellant heeft aangevoerd, vormt geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot intrekking van bijstand heeft kunnen besluiten.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het college gehouden was om de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. De door appellant aangevoerde bijzondere omstandigheden kunnen niet als dringende redenen worden aangemerkt op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare financiële gevolgen heeft. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient voor zover aangevochten te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat geen grond voor toekennen van een schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD