Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
15/1368 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorziening voor de kosten van operaties aan de linker- en rechtervoet. Verweerder heeft met juistheid geoordeeld dat appellante niet op grond van haar oorlogsinvaliditeit op de gevraagde voorziening was aangewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1368 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Spanje (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 december 2014, kenmerk BZ01781305 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, geboren in 1929, is erkend als oorlogsgetroffene in de zin van de Wubo. Op 10 maart 2014 heeft zij verzocht om een voorziening voor de kosten van operaties aan haar linker- en rechtervoet. Bij besluit van 4 juni 2014 is dit verzoek afgewezen, dit omdat appellante niet op grond van haar oorlogsinvaliditeit op de voorziening is aangewezen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Appellante is van mening dat de klachten die tot de operaties hebben geleid zijn terug te voeren op de door haar doorgemaakte oorlogsomstandigheden en dat zij dus wel degelijk op grond van haar oorlogsinvaliditeit op de voorziening is aangewezen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Uit de gedingstukken blijkt dat de voetoperaties waarop het verzoek van appellante betrekking had, zijn verricht ter correctie van een hallus valgus, een standsafwijking van de grote teen. De naar aanleiding van de aanvraag geraadpleegde geneeskundig adviseur, de arts Loonstein, heeft geoordeeld dat de klachten die tot de operaties hebben geleid niet in causaal verband staan met het oorlogsletsel. In bezwaar heeft een andere geneeskundig adviseur, de arts Kho, advies uitgebracht. Hij heeft te kennen gegeven dat hallus valgus een constitutionele afwijking is, die vaak bij vrouwen in de hele familie voorkomt. Naar aanleiding van het beroep is daar door weer een andere geneeskundig adviseur, de arts Maas, nog aan toegevoegd dat ook omgevingsfactoren als te krap schoeisel een rol kunnen spelen. Vaak gaat het niet om een juveniele vorm, maar om een verkregen, degeneratieve vorm. Aangezien de operaties bij een leeftijd van 83 jaar zijn uitgevoerd, ligt een verband met het doorgemaakte oorlogsgeweld, aldus Maas, niet voor de hand. Verweerder volgt deze conclusie en acht een verband met dat oorlogsgeweld niet aanwezig.

3.2.

Appellante heeft erkend dat hallus valgus in het merendeel van de gevallen moet worden toegeschreven aan andere oorzaken, maar zij vermoedt dat de afwijking in haar specifieke geval te maken heeft met haar oorlogsverleden. Dat enkele vermoeden kan geen aanleiding geven de, op de informatie van drie geneeskundig adviseurs gebaseerde, conclusie van verweerder in twijfel te trekken. Dat betekent dat verweerder met juistheid heeft geoordeeld dat appellante niet op grond van haar oorlogsinvaliditeit op de gevraagde voorziening was aangewezen.

3.3.

Bij het voorgaande komt nog dat, naar verweerder in beroep nog heeft benadrukt, het verzoek van appellante te laat is ingediend om nog voor inwilliging in aanmerking te kunnen komen. Appellante is in oktober 2012 geopereerd, eerst aan de rechtervoet, en ruim drie weken later aan de linkervoet. De factuur dateert van december 2012. Op grond van artikel 2 van de Regeling ingangsdatum voorzieningen Wubo komen die aanvragen om een vergoeding van of een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening voor (eventuele) toewijzing in aanmerking, die zijn ingediend voor het einde van het kalenderjaar volgende op dat waarin de kosten door de belanghebbende zijn gemaakt of hem in rekening zijn gebracht. Appellante had dus tot het einde van 2013 de tijd voor het indienen van haar aanvraag.

3.4.

Het bestreden besluit bevat naast het onder 3.1 besproken causaliteitsoordeel met betrekking tot de hallus valgus, ook overwegingen betreffende (de causaliteit van) andere fysieke klachten van appellante. Verweerder heeft toegelicht dat deze overwegingen ter voorlichting aan appellante zijn opgenomen. De Raad zal de bedoelde overwegingen buiten zijn beoordeling laten, nu deze geen verband houden met, en een rechterlijk oordeel daarover dus ook niet kan afdoen aan, de in geding zijnde weigering van een voorziening ter zake van de hallus valgus.

3.5.

Het beroep is ongegrond.

4.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op *.