Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
15/1952 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar de LFNP-functie met vakgebied en werkterrein en waardering in schaal. Anders dan appellant en met de korpschef acht de Raad de in het bestreden besluit gegeven motivering op het punt van de matching niet ontoereikend. De korpschef is ingegaan op de uitgangspositie van appellant en heeft, onder verwijzing naar de matchingssystematiek, uiteengezet welk LFNP-vakgebied het meest vergelijkbaar is, aan de hand van de Regeling en de TPT. Verder is gewezen op het belang van de Handleiding, waarin de motivering voor de keuze van het vakgebied is neergelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1952 AW

Datum uitspraak: 21 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

10 februari 2015, 14/6354 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 16 juli 2015 heeft mr. Dammingh namens appellant een door de Raad gestelde vraag beantwoord.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. de Kruijf-Stellaard en F.J.H. Gunther.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Bij besluit van 24 oktober 2011 is de uitgangspositie van appellant ten behoeve van de invoering van het LFNP vastgesteld op [functie A]. Bij besluit van

9 mei 2012 is deze uitgangspositie aangevuld met het taakaccent [taakaccent A]. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn schriftelijke bedenkingen heeft geuit, heeft de korpschef bij besluit van 16 december 2013 ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie [functie B 1], met vakgebied [vakgebied] en werkterrein [werkterrein] ([vakgebied]), gewaardeerd in salarisschaal 8. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 25 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat aan het bestreden besluit - dat namens de korpschef is ondertekend door de programmadirecteur Human Resources Management (HRM), als plaatsvervanger van de directeur HRM - een bevoegdheidsgebrek kleeft. Nu de korpschef het bestreden besluit heeft bekrachtigd, wordt dit bevoegdheidsgebrek echter met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd, omdat appellant door dit gebrek niet in zijn belangen is geschaad. De korpschef heeft de bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling), de transponeringstabel (TPT), terecht aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift. Vast staat dat de in de uitgangspunten genoemde korpsfunctie van appellant in de TPT is gematcht met het domein Uitvoering en het vakgebied [vakgebied] en dat de in de uitgangspositie genoemde korpsfunctie en de overige werkzaamheden hebben geleid tot toekenning in de TPT van het werkterrein [werkterrein]. De korpschef heeft deze keuze van de regelgever bij de besluitvorming ten aanzien van appellant gerespecteerd en is daartoe in beginsel ook gehouden. Niet gebleken is dat het volgen van de TPT in het geval van appellant leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of dat sprake is van een bijzondere situatie die niet door de regelgever is voorzien en waardoor de korpschef in redelijkheid de TPT niet heeft kunnen volgen.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De beroepsgrond van appellant over de toepassing van de rechtbank van artikel 6:22 van de Awb ten aanzien van het door haar geconstateerde bevoegdheidsgebrek en het ontbreken van een veroordeling in de proceskosten kan buiten bespreking blijven. Zoals uit de uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550, volgt, is het bestreden besluit bevoegd genomen door de programmadirecteur HRM. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen. Nu de rechtbank het bestreden besluit ondanks het vermeende gebrek in stand heeft gelaten, is er geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4.2.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank de TPT ten onrechte heeft aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift en dat deze niet als grondslag voor het bestreden besluit had mogen dienen. Ter zake wordt verwezen naar de onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550. Het overwogene in die uitspraak in aanmerking genomen, stelt appellant op zichzelf beschouwd terecht dat de TPT het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, maar dat neemt niet weg dat de TPT als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende. Verder kan de politieambtenaar zich niet beroepen op feiten of omstandigheden die hij reeds in het kader van de vaststelling van de uitgangspositie naar voren had kunnen brengen.

4.2.2.

Appellant heeft aangevoerd dat met het oordeel dat aan de TPT, ondanks dat deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, niettemin een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht in de onder 4.2.1 bedoelde zin en in het verlengde daarvan met het oordeel dat de korpschef ter motivering van het bestreden besluit mag verwijzen naar de TPT, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb de grondslag van het bestreden besluit wordt uitgebreid. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Het bestreden besluit is gebaseerd op de TPT. Zoals al is geoordeeld in de uitspraken van 1 juni 2015, is die grondslag in beginsel toereikend. Die conclusie houdt geen aanvulling of wijziging van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering in. Het beroep van appellant op onder meer de uitspraak van de Raad van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8612, treft daarom geen doel. Dit brengt tevens mee dat er geen aanleiding is voor het toepassen van een bestuurlijke lus, zoals door appellant bepleit.

4.3.1.

Appellant heeft betoogd dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied en dat de matching had moeten leiden tot indeling in het vakgebied Tactische Opsporing, in de functie van [functie B 2] (schaal 8), omdat het zwaartepunt van zijn werkzaamheden blijkens de korpsfunctiebeschrijving van [functie A] ligt bij de opsporing en bestrijding van [taakaccent B] het bevorderen van veiligheid op het gebied van de Vreemdelingenwet en -regelgeving. Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat dit strookt met de omschrijving in de beleidsregel Instructie organieke matching (Stcrt. 2012, nr. 10411, zoals nadien gewijzigd, Stcrt. 2013,

nr. 12776) en de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding).

4.3.2.

Appellant heeft met dit betoog niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Zoals onder 4.2.1 al is overwogen is de enkele stelling dat een andere uitkomst van de matching ook verdedigbaar zou zijn geweest niet voldoende voor die conclusie. De korpschef heeft in zijn verweerschrift bovendien benadrukt dat de in de korpsfunctiebeschrijving opgenomen taken zeer goed passen binnen de kern van de

LFNP-functie van [functie B 1], waaronder ook de opsporingstaken in het kader van de Opsporing Veelvoorkomende Criminaliteit (VVC). Het niveaubepalende element “Coördinatie van opsporingsonderzoeken in het kader van de Vreemdelingenwet en

-regelgeving” slaat op de opsporingsonderzoeken in het kader van de VVC en niet op de bestrijding van de zware criminaliteit.

4.3.3.

Anders dan appellant en met de korpschef acht de Raad de in het bestreden besluit gegeven motivering op het punt van de matching niet ontoereikend. De korpschef is in het bestreden besluit ingegaan op de uitgangspositie van appellant en heeft, onder verwijzing naar de matchingssystematiek, uiteengezet welk LFNP-vakgebied het meest vergelijkbaar is, aan de hand van de Regeling en de TPT. Verder is gewezen op het belang van de Handleiding, waarin de motivering voor de keuze van het vakgebied is neergelegd. Daarmee is wel degelijk, zij het summier, gemotiveerd waarom het resultaat van de matching overeenkomstig de Regeling is geschied en niet anderszins onhoudbaar is te achten. Weliswaar was het beter geweest als de motivering op dit punt wat meer op de persoon van betrokkenen toegesneden was geweest, maar van een motiveringsgebrek op dit punt kan niet worden besproken, juist nu de korpschef voor besluitvorming als hier aan de orde in beginsel mag verwijzen naar de TPT.

4.4.1.

Appellant heeft betoogd dat zijn beroep op de hardheidsclausule ten onrechte is verworpen, omdat in zijn geval sprake is van onvoorziene effecten. Er is sprake van een bijzondere situatie, omdat appellant bij instandhouding van de huidige match met een verschraling van zijn taken en verantwoordelijkheden geconfronteerd wordt en hij zijn huidige werkzaamheden dreigt te verliezen. Dit betoog slaagt niet. Dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie is inherent aan de (door de regelgever) bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht en is ook verklaarbaar uit het gegeven dat de werkzaamheden binnen verschillende politieregio’s worden ondergebracht in één nieuw landelijk functiegebouw. Een eventuele verschraling van het takenpakket van een betrokkene kan dan ook niet worden beschouwd als een onbedoelde onbillijke uitwerking van de Regeling. De mogelijkheid van verschillen tussen de korpsfunctie en de LFNP-functie is door de regelgever uitdrukkelijk onder ogen gezien. Dergelijke verschillen zijn uitdrukkelijk beoogd vanuit de - meer op abstracte functiebeschrijving gerichte - systematiek van het LFNP. Het nieuwe functiegebouw strekt nu eenmaal tot uniformering en harmonisering, waaraan inherent is dat niet voor iedereen de situatie bij het oude kan blijven.

4.4.2.

Appellant heeft nog gewezen op de brief van 27 november 2014 die hij heeft ontvangen waarin is vermeld dat hij is aangewezen als functievolger en naar verwachting zal worden geplaatst in de functie van [functie B 2]. De positie van appellant in de op handen zijnde reorganisatie heeft echter geen betrekking op de overgang naar een functie uit het LFNP en dient daarom geen rol te spelen bij de beoordeling of toepassing moet worden gegeven aan de hardheidsclausule (vergelijk de uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4161).

4.5.1.

Appellant heeft tot slot betoogd dat de korpschef het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd door de TPT op te vatten als een algemeen verbindend voorschrift, waartegen ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb geen bezwaar en beroep openstaat. Nu hij tegen deze dragende overweging in de besluitvorming terecht is opgekomen en heeft moeten procederen om tot een deugdelijke motivering te komen, maakt hij aanspraak op vergoeding van proceskosten, aldus appellant. Dit betoog slaagt niet. Dat de TPT niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, laat onverlet dat de TPT als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. De Raad verwijst in zoverre naar zijn onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550. Dat de TPT het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, leidt dan ook niet tot de conclusie dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van appellant op de vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3123) volgens welke in geval van een ongegrond beroep aanleiding bestaat om het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten die een andere partij heeft moeten maken, indien die andere partij heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het besluit te krijgen, slaagt niet. Nu de TPT als grondslag mag dienen voor het bestreden besluit, bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat appellant heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het bestreden besluit te krijgen.

4.5.2.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat dan ook geen aanleiding. In het verlengde hiervan bestaat er evenmin aanleiding om, zoals is verzocht, de korpschef te veroordelen tot vergoeding van griffierecht.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.S. Spek

HD