Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
15/2710 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte weigeren aan appellante schade te vergoeden in de vorm van wettelijke rente. Wanneer het college het verzoek van 17 juli 2013 van appellante had ingewilligd, was het op grond van de artikelen 4:97 en 4:98 van de Awb na afloop van de betalingstermijn in verzuim geweest, zodat het college vanaf dat moment wettelijke rente is verschuldigd. Rekening houdend met de in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb neergelegde beslistermijn van acht weken en een betaaltermijn van zes weken is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 23 oktober 2013 tot aan de dag van betaling van het bedrag van € 3.500,-. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2710 AW, 15/6048 AW

Datum uitspraak: 21 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

12 maart 2015, 14/800 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.M. Kemperman hoger beroep ingesteld.

Het college heeft op 17 juni 2015 een nader besluit genomen en een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een reactie op het nader besluit ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kemperman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J.T.M. Rutten en E. Geltink.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als [naam functie] bij de afdeling [naam afdeling] van de [naam werkgever]. Het college heeft appellante bij besluit van 21 februari 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2008, met ingang van 1 maart 2008 ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de vervulling van haar ambt, anders dan op grond van ziekten of gebreken. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 4 september 2008 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Ter uitvoering van die uitspraak is op 10 augustus 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij het ontslag is gehandhaafd, maar de ontslaggrond is gewijzigd in ‘andere gronden’. De Raad heeft op 8 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV8626) uitspraak gedaan op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 10 augustus 2010 in zijn beoordeling betrokken. In die uitspraak is onder meer vastgesteld dat het college het bedrag van € 3.500,- dat in het ontslagvoornemen is genoemd beschikbaar stelt voor outplacement.

1.2.

Appellante heeft het college op 17 juli 2013 onder verwijzing naar de onder 1.1 genoemde uitspraak verzocht het bedrag van € 3.500,- voor outplacement, inclusief wettelijke rente, aan haar over te maken. Het college heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 24 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 december 2013 (bestreden besluit). Daaraan is ten grondslag gelegd dat in het voornemen tot ontslag is vermeld dat de vergoeding van

€ 3.500,- voor outplacement direct aan het gekozen outplacementbureau betaalbaar zal worden gesteld en dat er geen reden is om tot rechtstreekse uitbetaling aan appellante over te gaan.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

Bij besluit van 17 juni 2015 (nader besluit) heeft het college besloten de outplacementvergoeding van € 3.500,- alsnog rechtstreeks aan appellante uit te betalen. Daarbij is tevens meegedeeld dat de in hoger beroep gemaakte proceskosten à € 490,- en het griffierecht - indien betaald en na toezending van een afschrift - aan appellante zullen worden vergoed.

3.2.

Appellante heeft in haar reactie op het nader besluit gesteld dat hiermee in financieel opzicht slechts gedeeltelijk tegemoetgekomen is aan haar beroep. Zij heeft daarnaast bezwaren kenbaar gemaakt tegen dat besluit.

3.3.

De Raad zal het nader besluit op de voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

4.1.

Met het nader besluit is het college in zoverre tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante, dat het voor outplacement bestemde bedrag van € 3.500,- alsnog rechtstreeks aan haar is uitbetaald. Zoals uit het nader besluit en het verweerschrift in hoger beroep blijkt, heeft het college daartoe in afwijking van zijn eerdere standpunt besloten om een streep te kunnen zetten onder een al jaren slepende kwestie. Wat er ook zij van de beweegredenen van het college om het nader besluit te nemen, is het gevolg hiervan dat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd, behoudens voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek om vergoeding van wettelijke rente is gehandhaafd. Het bestreden besluit moet dan ook wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking.


Het nader besluit

4.2.

Uit 4.1 vloeit tevens voort dat het college bij het nader besluit, dat in de plaats is gekomen van het bestreden besluit, ten onrechte heeft geweigerd aan appellante schade te vergoeden in de vorm van wettelijke rente. Daartoe overweegt de Raad dat op grond van artikel 4:102 van de Awb, indien een afwijzende beschikking als gevolg van beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, wettelijke rente is verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het bestuursorgaan in verzuim zou zijn geweest, indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. Wanneer het college het verzoek van 17 juli 2013 van appellante had ingewilligd, was het op grond van de artikelen 4:97 en 4:98 van de Awb na afloop van de betalingstermijn in verzuim geweest, zodat het college vanaf dat moment wettelijke rente is verschuldigd. Rekening houdend met de in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb neergelegde beslistermijn van acht weken en een betaaltermijn van zes weken is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 23 oktober 2013 tot aan de dag van betaling van het bedrag van € 3.500,-. Hierbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

4.3.

Anders dan appellante heeft bepleit, is er geen grond om al vanaf 1 januari 2008 wettelijke rente over het bedrag van € 3.500,- aan haar te vergoeden. Zij heeft daarover aangevoerd dat zij tot de uitspraak van 8 maart 2012 geen gebruik heeft kunnen maken van outplacement omdat zij niet wist dat zij daar recht op had en dat het bedrag daarom verhoogd moet worden met rente. Zoals onder 1.2 is overwogen, is de vergoeding voor outplacement toegekend onder de voorwaarde dat de betaling aan het in te schakelen outplacementbureau plaatsvindt. Dit betekent dat pas de inwilliging van haar verzoek om de vergoeding - in afwijking hiervan - rechtstreeks aan haar te betalen leidde tot verschuldigdheid van het bedrag van € 3.500,-.

4.4.

De Raad volgt appellante niet in haar opvatting dat de motivering en toonzetting van het nader besluit diffamerend en diskwalificerend is. De formulering van het besluit is neutraal. Dat geldt ook voor de passage waarin het college kenbaar maakt een streep onder de kwestie te willen zetten en voor het - overigens redelijke - verzoek om een afschrift van (een bewijs van) betaling van het griffierecht in te zenden. De stelling van appellante dat in

overwegingen 5 en 6 van de aangevallen uitspraak feiten zijn vermeld die niet overeenkomen met de werkelijkheid, kan buiten bespreking blijven omdat die uitspraak zal worden vernietigd.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het nader besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij geen wettelijke rente is vergoed over het bedrag van € 3.500,-.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 december 2013 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juni 2015 gegrond en vernietigt dat besluit voor

zover daarbij geen wettelijke rente is vergoed over het bedrag van € 3.500,-;

- bepaalt dat het college aan appellante wettelijke rente over dat bedrag vergoedt, zoals

vermeld in rechtsoverweging 4.2, en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het

vernietigde gedeelte van het besluit van 17 juni 2015;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

vergoedt van in totaal € 408,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en M.T. Boerlage en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) A. Mansourova

HD