Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1437

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
15/3632 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:2409, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

College bevoegd tot terugvordering. Naderhand verkregen middelen uit verdeling huwelijksboedel. Geen rekening met schulden ontstaan na aanvang bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3632 WWB

Datum uitspraak: 19 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2015, 14/3164 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst en Kredietbank Alblasserwaard/Vijfheerenlanden (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Bhulai, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 november 2015 heeft mr. E. El-Sharkawi, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. El-Sharkawi. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.H. Hartwijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is [in] 2003 gescheiden. In afwachting van de afwikkeling van de huwelijksboedel ontving appellante vanaf 1 september 2003, met korte onderbrekingen, bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Met ingang van 2 augustus 2012 heeft het dagelijks bestuur appellante leenbijstand verleend omdat op dat moment nog steeds geen uitsluitsel bestond over de verdeling van de boedel.

1.2.

Bij uitspraak van 5 maart 2013 heeft het gerechtshof ’s Hertogenbosch bepaald dat appellante uit de huwelijksboedel een bedrag toekwam van € 52.317,04. Na aftrek van de advocaatkosten heeft appellante op 25 april 2013 de beschikking gekregen over een bedrag van € 26.146,85.

1.3.

Bij besluit van 16 september 2013 heeft het dagelijks bestuur de bijstand over de periode van 1 september 2003 tot en met 30 april 2013 met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB ingetrokken op de grond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij geen melding heeft gemaakt van de door haar ontvangen middelen. Het dagelijks bestuur heeft het vermogen van appellante, gesteld op € 26.146,85, na aftrek van het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b van de WWB, ten tijde hier van belang € 5.795,-, bij aanvang van de bijstand vastgesteld op

€ 20.351,85.

1.4.

Bij besluit van 18 september 2013, voor zover hier van belang, heeft het dagelijks bestuur het besluit van 16 september 2013 gewijzigd in die zin dat de periode waarover de bijstand is ingetrokken, is beperkt tot de periode van 1 september 2003 tot en met 24 februari 2012. Tevens heeft het dagelijks bestuur bij dit besluit de leenbijstand over de periode van

2 augustus 2012 tot en met 30 april 2013 omgezet in bijstand om niet.

1.5.

Bij besluit van 14 oktober 2013 heeft het dagelijks bestuur de gemaakte kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB over de periode van 1 september 2003 tot en met 24 februari 2012 tot een bedrag van € 20.351,85 van appellante teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 24 maart 2014 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 16 september 2013 en 18 september 2013 ongegrond verklaard.

1.7.

Bij besluit van 24 maart 2014 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 oktober 2013, onder wijziging van de grondslag van het besluit, ongegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat de aan appellante onverschuldigd betaalde bijstand met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB van haar kan worden teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Ten aanzien van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank geoordeeld dat voor de terugvordering op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, geen voorafgaande intrekking nodig is. Appellante heeft daarop te kennen gegeven dat het beroep zich uitsluitend richt tegen bestreden besluit 2, waarmee het beroep tegen bestreden besluit 1 als ingetrokken moet worden beschouwd.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het dagelijks bestuur bij de vaststelling van het vrij te laten vermogen rekening had moeten houden met haar schulden. Zij heeft gesteld dat zij het uit de huwelijksboedel ontvangen bedrag direct en volledig heeft aangewend om haar schulden af te betalen, zodat zij daarover niet kon beschikken. Voorts heeft appellante betoogd dat het dagelijks bestuur op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van terugvordering omdat het totaal van haar inkomen lager is dan de beslagvrije voet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend (in dit geval het dagelijks bestuur) kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand anders dan door schending van de inlichtingenverplichting onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de WWB beschikt of kan beschikken.

4.2.

Vaststaat dat appellante vanaf 1 september 2003 bijstand ontving. Niet in geschil is dat appellante op die datum aanspraak had op haar aandeel in de op dat moment nog onverdeelde boedel. Evenmin is in geschil dat appellante op 25 april 2013 feitelijk de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 26.146,85. Op die datum beschikte zij dus over middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de WWB met betrekking tot een periode waarover bijstand was verleend.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij na de echtscheiding veel schulden heeft moeten maken, die op haar vermogen in mindering komen. Deze grond slaagt niet.

4.4.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b van de WWB wordt niet tot de middelen gerekend het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit de grens van het vrij te laten vermogen als bedoeld in het derde lid niet overschrijdt. Bij de vaststelling van het vrij te laten vermogen dient te worden uitgegaan van de datum met ingang waarvan bijstand werd verstrekt. Daarin ligt besloten dat nadien gemaakte kosten of ontstane schulden niet van invloed zijn op de hoogte van het voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB in aanmerking te nemen bedrag. Reeds om die reden komen de door appellante gestelde schulden, die volgens appellante zijn ontstaan na

1 september 2003, niet voor mindering op het bedrag van het vastgestelde vermogen in aanmerking. Aan de vraag in hoeverre de schulden door appellante zijn aangetoond, komt de Raad dan ook niet toe.

4.5.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat de door appellante uit de huwelijksboedel ontvangen middelen de voor appellante geldende grens van het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WWB overschreden. Het dagelijks bestuur was derhalve bevoegd de kosten van de aan appellante verleende bijstand, tot het bedrag waarmee de grens van het vrij te laten vermogen werd overschreden, van haar terug te vorderen.

4.6.

Appellante heeft aangevoerd dat zij onvoldoende middelen heeft om de terugvordering te voldoen en dat dit een dringende reden is om van terugvordering af te zien. Die grond slaagt evenmin.

4.7.

Het dagelijks bestuur voert het beleid dat van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt tenzij sprake is van dringende redenen. Het gaat daarbij om uitzonderlijke situaties en bijzondere omstandigheden. Appellante heeft als dringende reden aangevoerd dat zij onvoldoende inkomen heeft om aan de terugbetalingsverplichting te voldoen. Zij heeft die stelling echter niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft met name niet met stukken onderbouwd dat haar inkomen lager is dan de beslagvrije voet, zoals zij heeft gesteld. Ook overigens is niet gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2016.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) A. Stuut

HD