Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1433

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2016
Datum publicatie
21-04-2016
Zaaknummer
15/1163 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van eerder genomen besluit. 1) Verleden. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. 2) toekomst. De informatie die appellant uiterlijk in de bezwaarfase heeft overgelegd, bevat geen medisch objectiveerbare feiten en omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het oorspronkelijke besluit onjuist is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1163 WAO

Datum uitspraak: 15 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 januari 2015, 14/2831 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een nader stuk ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft tot 23 juni 1992 gewerkt bij een werkgever in Nederland. Hierna is hij naar Marokko teruggekeerd. Hij heeft zich vanuit Marokko met ingang van 14 augustus 1992 ziek gemeld.

1.2.

Een rechtsvoorganger van het Uwv heeft bij besluit van 28 februari 1994 geweigerd appellant voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) in aanmerking te brengen omdat hij ten tijde van zijn ziekmelding op 14 augustus 1992 niet meer als verzekerde in de zin van de ZW kon worden beschouwd en de ziekmelding evenmin was gedaan binnen een maand na beëindiging van de verzekering. De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van

29 januari 1996 het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bij uitspraak van 14 mei 1997 bevestigd en daarbij overwogen dat de rechtsvoorganger van het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat het dienstverband per 1 juli 1992 was verbroken en dat de verzekering op grond van de ZW met ingang van

1 juli 1992 is beëindigd.

1.3.

Op 13 november 2001 heeft appellant een rechtsvoorganger van het Uwv verzocht om een beslissing te nemen inzake zijn aanspraken op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), in verband met zijn ziekmelding met ingang van 14 augustus 1992. Bij besluit van 3 mei 2002 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellant op en na 14 augustus 1992 niet verzekerd is voor de WAO. Appellants bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 20 augustus 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 1 oktober 2003 het beroep van appellant tegen het laatstgenoemde besluit ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 9 december 2005 deze uitspraak bevestigd. Daarbij is overwogen dat appellant op 14 augustus 1992 niet meer verzekerd was voor de – destijds geldende – arbeidsongeschiktheidswetten.

1.4.

Appellant heeft door middel van een door het Uwv op 14 juli 2008 ontvangen brief opnieuw verzocht om een uitkering op grond van de WAO. Bij deze brief heeft hij een verklaring gevoegd van psychiater Ben Slimane te Fes, Marokko, van 1 juli 2008. Bij brief van 10 oktober 2008 heeft hij het Uwv nogmaals verzocht om een uitkering op grond van de WAO dan wel verzocht om het eerder genomen besluit te herzien, omdat zijn gezondheid is verslechterd. Appellant heeft verder bij brieven van 18 mei 2009, 4 augustus 2009 en

9 november 2009 verzocht om het eerdere besluit te herzien, dan wel verzocht om een herbeoordeling, waarbij hij een verklaring van psychiater Ben Slimane van 3 augustus 2009 heeft meegestuurd. Ook heeft appellant een brief van psychiater A. Chebani van 12 september 2012 ingestuurd.

1.5.

Bij besluit van 18 november 2009 heeft het Uwv besloten om niet terug te komen van het gestelde in het besluit van 28 februari 1994. Er zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die tot de conclusie leiden dat de genomen beslissing onjuist is. Bij besluit van 12 april 2010 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 november 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep tegen het laatstgenoemde besluit bij uitspraak van 29 maart 2011 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bij uitspraak van 6 juli 2012 bevestigd. De Raad heeft daarbij het besluit van 12 april 2010 ook opgevat als een weigering om terug te komen van de besluiten van 3 mei 2002 en 20 augustus 2002.

1.6.

Bij brief van 2 juni 2013 heeft appellant het Uwv opnieuw verzocht om hem een uitkering op grond van de WAO toe te kennen omdat zijn gezondheid is verslechterd.

1.7.

Bij besluit van 20 september 2013 heeft het Uwv besloten niet terug te komen van het besluit van 3 mei 2002 omdat er geen nieuwe of andere informatie in appellants verzoek worden vermeld dan al bij Uwv bekend was.

1.8.

Naar aanleiding van appellants bezwaar tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep een dossieronderzoek verricht, waarbij hij de door appellant in bezwaar ingestuurde medische verklaringen heeft betrokken. Deze arts vermeldt in zijn rapport van

8 april 2014 dat de door appellant ingebrachte brieven van psychiater Ben Slimane van 1 juli 2008 en 3 augustus 2009 ook betrokken zijn bij de vorige beoordeling. De brief van psychiater Chebani van 2 september 2012 bevat geen nieuwe inzichten. Dat hierin wordt vermeld dat appellant vanaf 26 juni 1992 onder behandeling is had eerder naar voren gebracht kunnen worden en is verder niet onderbouwd met feitelijke gegevens uit die periode.

1.9.

Bij besluit van 11 april 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 september 2013 onder vermelding van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij wel verzekerd is voor de WAO en dat uit het dossier blijkt dat hij arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft een onjuist besluit genomen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Uit de uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, blijkt dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Nu het oorspronkelijke besluit inhoudt dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de WAO omdat hij ten tijde van zijn ziekmelding niet verzekerd was voor de WAO omdat hij geen werknemer meer was, is een beoordeling op grond van een mogelijke toepassing van een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid niet aan de orde.

4.2.

Bij haar toetsing van het bestreden besluit heeft de rechtbank het juiste toetsingskader gehanteerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld en afdoende gemotiveerd dat appellant bij zijn aanvraag van 2 juni 2013 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4.3.

Voor zover de aanvraag een aanvraag inhoudt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de periode na de aanvraag van 2 juni 2013, bevat de informatie die appellant uiterlijk in de bezwaarfase heeft overgelegd geen medisch objectiveerbare feiten en omstandigheden die tot de conclusie leiden dat het oorspronkelijke besluit onjuist is geweest. Deze informatie heeft immers alleen betrekking op de gezondheidstoestand van appellant. Uit deze informatie kan niet worden afgeleid dat appellant ten tijde van zijn ziekmelding verzekerd was. Voor het Uwv bestond dus geen aanleiding tot nader onderzoek.

4.4.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, in tegenwoordigheid van

D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2016.

(getekend) G. van Zeben-de Vries

(getekend) D. van Wijk

MO