Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2016
Datum publicatie
21-04-2016
Zaaknummer
14/6440 ZW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Het besluit is ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid onzorgvuldig, niet goed onderbouwd en niet inzichtelijk gemotiveerd. De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op het geconstateerde gebrek van het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0415
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6440 ZW-T

Datum uitspraak: 20 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 oktober 2014, 14/1086 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.E. Wonnink hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 januari 2016. Voor appellante is Wonnink verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

In verband met de beëindiging van rechtswege van haar dienstverband per 14 september 2012 heeft [naam werkneemster] (werkneemster) op 28 augustus 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. In de week van 17 september 2012 heeft zij zich wegens psychische klachten ziek gemeld. Na telefonisch contact met het Uwv op

27 september 2012 heeft werkneemster op 26 oktober 2012 met een re-integratiecoach gesproken, die in een opgemaakte Probleemverkenning heeft vermeld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van werkneemster 17 september 2012 is.

1.2.

Bij besluit van 9 november 2012 is werkneemster bericht dat zij in verband met nawerking van haar inmiddels beëindigde verzekering met ingang van 17 september 2012 recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). De WW-uitkering die zij met ingang van 17 september 2012 ontving, is vervolgens bij besluit van 14 november 2012 wegens de toegekende ZW-uitkering met ingang van 17 september 2012 beëindigd.

1.3.

Appellante is van de ZW-beslissing van 9 november 2012 bij brief van 4 september 2013 in kennis gesteld. Appellante heeft op 23 september 2013 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 november 2012. Het bezwaar is bij besluit van 17 januari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat het Uwv een voldoende medische onderbouwing heeft gegeven dat werkneemster aansluitend aan haar laatste werkdag van haar dienstverband op vrijdag 14 september 2012 met ingang van maandag

17 september 2012 als arbeidsongeschikt in de zin van de Ziektewet (ZW) moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft aangenomen dat de ziekmelding van werkneemster onder de nawerking van artikel 46 van de ZW valt.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat werkneemster bij het einde van haar dienstverband op 14 september 2012 niet ziek was, dat zij zich eerst per

20 september 2012, vanuit een situatie van werkloosheid, heeft ziek gemeld en dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat 17 september 2012 de eerste ziektedag van werkneemster was. Aanvullend heeft appellante gesteld dat ook bij een eerste ziektedag op 17 september 2012 sprake is van een ziekmelding tijdens werkloosheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet ter discussie staat dat appellante terecht als belanghebbende is aangemerkt en in haar bezwaar is ontvangen (zie ECLI:NL:CRVB:2016:467 en ECLI:NL:CRVB:2016:468).

4.2.

Het standpunt van appellante dat, indien werkneemster aansluitend aan het einde van haar dienstverband, op 17 september 2012 ziek is geworden sprake is van een ziekmelding tijdens WW, wordt niet gevolgd. De aan werkneemster met ingang van 17 september 2012 toegekende WW-uitkering is bij besluit van 14 november 2012 ingetrokken, omdat aan haar alsnog ziekengeld per 17 september 2012 is toegekend. Dat werkneemster in het zicht van het einde van haar dienstverband een WW-uitkering heeft aangevraagd, die ook was toegekend, doet daar niet aan af. Indien, zoals in dit geval, na een WW-toekenning alsnog wordt vastgesteld dat betrokkene direct aansluitend aan het einde van haar dienstverband arbeidsongeschikt was in de zin van de ZW, heeft dat als gevolg dat op grond van artikel 19 van de WW een uitsluitingsgrond voor een WW-uitkering van toepassing is geworden, tenzij die vaststelling in rechte wordt aangetast.

4.3.

In geschillen met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidswetten heeft de Raad herhaaldelijk geoordeeld dat in het geval dat een belanghebbende werkgever de (mate van) arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werknemer betwist, de aard van de betrokken belangen meebrengt dat het Uwv het besluit ten aanzien van die arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk motiveert (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:4292). Er is geen aanleiding een ZW-geschil als hier aan de orde anders te beoordelen.

4.4.1.

Geoordeeld wordt dat het bestreden besluit niet voldoet aan de in 4.3 geformuleerde motiveringsplicht. Uit de aangifte arbeidsongeschiktheid blijkt dat werkneemster zich op

21 september 2012 telefonisch per 20 september 2012 heeft ziek gemeld. In het formulier Verzoek om ontbrekende gegevens ZW bij einde dienstverband tijdens ziekte wordt ook als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 20 september 2012 genoemd. In het door appellante teruggezonden formulier is die datum niet door haar gewijzigd. Omdat de plausibiliteit van de ziekmelding niet kon worden beoordeeld, heeft een re-integratiebegeleider werkneemster gesproken en in de opgemaakte Probleemverkenning van 26 oktober 2012 vermeld dat de ziekmelding plausibel is en heeft hij als eerste arbeidsongeschiktheidsdag ingevuld “17-09-12 ziek bij einde dienstverband”. Niet blijkt waarom de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gewijzigd in 17 september 2012.

4.4.2.

Werkneemster is ten gevolge van haar ziekte voor de eerste keer op 22 januari 2013 op het spreekuur van een verzekeringsarts geweest ter beoordeling van de ongeschiktheid voor de maatgevende arbeid. Deze arts gaat uit van een ziekmelding per 17 september 2012 en acht werkneemster sinds die datum arbeidsongeschikt in verband met verlieservaringen. Naar aanleiding van een volgend spreekuur op 21 mei 2013 heeft de arts geconcludeerd dat werkneemster nog steeds ziek is. Uit de van deze spreekuren opgemaakte rapporten blijkt niet dat speciale aandacht is besteed aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Aanleiding voor de spreekuren was ook niet beoordeling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag maar de vraag of werkneemster wegens ziekte haar laatste arbeid (nog steeds) niet kon verrichten. Uit de bewoordingen in de rapporten kan worden afgeleid dat met betrekking tot de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is voortgeborduurd op de voorhanden zijnde gegevens.

4.4.3.

Hoewel appellante uitdrukkelijk heeft vermeld dat werkneemster niet arbeidsongeschikt was bij einde dienstverband en zij zich pas per 20 september 2012 had ziek gemeld wegens het overlijden van haar vader, heeft het Uwv in beroep en in hoger beroep geen enkele nadere medische onderbouwing gegeven van de in aanmerking genomen eerste arbeidsongeschiktheidsdag. In het licht van de in 4.3 genoemde motiveringsplicht volstaat de verwijzing door het Uwv naar de rapporten van de verzekeringsarts van 22 januari 2013 en

21 mei 2013 niet, gelet op wat is overwogen in 4.4.1 en 4.4.2. Dit heeft tot gevolg dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht wordt het Uwv opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op het in overweging 4.5 geconstateerde gebrek van het bestreden besluit te herstellen binnen 10 weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.W.L. van der Loo

AP